Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. visite:
  2. Wiktionary:
Frans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. visite:
  2. visité:
  3. visiter:
  4. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor visite (Nederlands) in het Frans

visite:

visite [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de visite (bezoek; aanloop)
    la visite; la visite à domicile

Vertaal Matrix voor visite:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
visite aanloop; bezoek; visite bezichtigen; bezichtiging; doktersbezoek; huisbezoek; opwachting; visitatie; ziekenbezoek
visite à domicile aanloop; bezoek; visite doktersbezoek; huisbezoek; ziekenbezoek

Verwante woorden van "visite":

  • visites

Wiktionary: visite

visite
noun
  1. Action d’aller voir quelqu’un par civilité ou par devoir. (Sens général).

Verwante vertalingen van visite



Frans

Uitgebreide vertaling voor visite (Frans) in het Nederlands

visite:

visite [la ~] zelfstandig naamwoord

  1. la visite (visite à domicile)
    het bezoek; de visite; de aanloop
    • bezoek [het ~] zelfstandig naamwoord
    • visite [de ~] zelfstandig naamwoord
    • aanloop [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. la visite (visite à domicile)
    het huisbezoek; het doktersbezoek; het ziekenbezoek
  3. la visite (inspection; examiner)
    bezichtigen; de bezichtiging
  4. la visite (visite de douane; fouille)
    de visitatie
  5. la visite
    de opwachting

Vertaal Matrix voor visite:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanloop visite; visite à domicile
bezichtigen examiner; inspection; visite
bezichtiging examiner; inspection; visite
bezoek visite; visite à domicile
doktersbezoek visite; visite à domicile
huisbezoek visite; visite à domicile
opwachting visite
visitatie fouille; visite; visite de douane
visite visite; visite à domicile
ziekenbezoek visite; visite à domicile visite des malades
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bezichtigen considérer; contempler; contrôler; dévisager; examiner; faire une inspection de; inspecter; observer; passer en revue; regarder; regarder faire; soumettre à une inspection; surveiller; visiter; voir

Synoniemen voor "visite":


Wiktionary: visite

visite
noun
  1. Action d’aller voir quelqu’un par civilité ou par devoir. (Sens général).
visite
noun
  1. het bezoeken
  2. de personen die op visite zijn of komen

Cross Translation:
FromToVia
visite bezoek call — social visit
visite bezoek Besuch — vorübergehendes Aufsuchen des Aufenthaltsorts einer Person, vorübergehendes Aufsuchen eines Gebäudes oder einer Institution auf eigene Initiative

visité:

visité bijvoeglijk naamwoord

  1. visité (fréquenté)
    bezocht

Vertaal Matrix voor visité:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bezocht fréquenté; visité

Synoniemen voor "visité":


visite vorm van visiter:

visiter werkwoord (visite, visites, visitons, visitez, )

  1. visiter (regarder; examiner; contempler; )
    bezichtigen; bekijken; aanschouwen; bezien
    • bezichtigen werkwoord (bezichtig, bezichtigt, bezichtigde, bezichtigden, bezichtigd)
    • bekijken werkwoord (bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
    • aanschouwen werkwoord (aanschouw, aanschouwt, aanschouwde, aanschouwden, aanschouwen)
    • bezien werkwoord (bezie, beziet, bezag, bezagen, bezien)
  2. visiter (passer en revue; regarder; examiner; )
    bekijken; inspecteren; bezichtigen
    • bekijken werkwoord (bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
    • inspecteren werkwoord (inspecteer, inspecteert, inspecteerde, inspecteerden, geïnspecteerd)
    • bezichtigen werkwoord (bezichtig, bezichtigt, bezichtigde, bezichtigden, bezichtigd)
  3. visiter (fouiller)
    visiteren; fouilleren
    • visiteren werkwoord (visiteer, visiteert, visiteerde, visiteerden, gevisiteerd)
    • fouilleren werkwoord (fouilleer, fouilleert, fouilleerde, fouilleerden, gefouilleerd)

Conjugations for visiter:

Présent
  1. visite
  2. visites
  3. visite
  4. visitons
  5. visitez
  6. visitent
imparfait
  1. visitais
  2. visitais
  3. visitait
  4. visitions
  5. visitiez
  6. visitaient
passé simple
  1. visitai
  2. visitas
  3. visita
  4. visitâmes
  5. visitâtes
  6. visitèrent
futur simple
  1. visiterai
  2. visiteras
  3. visitera
  4. visiterons
  5. visiterez
  6. visiteront
subjonctif présent
  1. que je visite
  2. que tu visites
  3. qu'il visite
  4. que nous visitions
  5. que vous visitiez
  6. qu'ils visitent
conditionnel présent
  1. visiterais
  2. visiterais
  3. visiterait
  4. visiterions
  5. visiteriez
  6. visiteraient
passé composé
  1. ai visité
  2. as visité
  3. a visité
  4. avons visité
  5. avez visité
  6. ont visité
divers
  1. visite!
  2. visitez!
  3. visitons!
  4. visité
  5. visitant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor visiter:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanschouwen attention; contemplation; observation; perception; regard
bezichtigen examiner; inspection; visite
fouilleren fouille
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanschouwen contempler; dévisager; examiner; faire une inspection de; inspecter; regarder; regarder faire; visiter apercevoir; constater; discerner; distinguer; embrasser du regard; enregistrer; faire observer; faire remarquer; observer; percevoir; regarder; remarquer; voir
bekijken considérer; contempler; contrôler; dévisager; examiner; faire une inspection de; inspecter; observer; passer en revue; regarder; regarder faire; soumettre à une inspection; surveiller; visiter; voir aller se faire foutre; aller se faire voir; apercevoir; considérer; constater; discerner; distinguer; embrasser du regard; enregistrer; examiner; faire observer; faire remarquer; fixer; observer; percevoir; regarder; remarquer; se foutre la paix; se rendre compte de; surveiller; voir
bezichtigen considérer; contempler; contrôler; dévisager; examiner; faire une inspection de; inspecter; observer; passer en revue; regarder; regarder faire; soumettre à une inspection; surveiller; visiter; voir
bezien contempler; dévisager; examiner; faire une inspection de; inspecter; regarder; regarder faire; visiter
fouilleren fouiller; visiter
inspecteren considérer; contempler; contrôler; examiner; faire une inspection de; inspecter; observer; passer en revue; regarder; soumettre à une inspection; surveiller; visiter; voir examiner; faire une inspection de; inspecter; parcourir
visiteren fouiller; visiter

Synoniemen voor "visiter":


Wiktionary: visiter

visiter
verb
  1. désuet|fr aller voir quelqu’un chez lui sans séjourner.
visiter
verb
  1. bij iemand langsgaan of langskomen
  2. ter plaatse of aan den lijve onderzoeken op smokkelwaar b.v. fouilleren

Cross Translation:
FromToVia
visiter bezoeken call — to pay a social visit
visiter bezoeken; opzoeken visit — to go and meet (someone)

Verwante vertalingen van visite