Nederlands

Uitgebreide vertaling voor bedaren (Nederlands) in het Frans

bedaren:

bedaren werkwoord (bedaar, bedaart, bedaarde, bedaarden, bedaard)

  1. bedaren (beheersen; bedwingen; beteugelen; matigen; intomen)
    maîtriser; retirer; apaiser; modérer; dominer; se contenir; se modérer; contraindre; brider; refouler; dompter; baisser de ton; retenir; reprendre; calmer; réprimer
    • maîtriser werkwoord (maîtrise, maîtrises, maîtrisons, maîtrisez, )
    • retirer werkwoord (retire, retires, retirons, retirez, )
    • apaiser werkwoord (apaise, apaises, apaisons, apaisez, )
    • modérer werkwoord (modère, modères, modérons, modérez, )
    • dominer werkwoord (domine, domines, dominons, dominez, )
    • se contenir werkwoord
    • se modérer werkwoord
    • contraindre werkwoord (contrains, contraint, contraignons, contraignez, )
    • brider werkwoord (bride, brides, bridons, bridez, )
    • refouler werkwoord (refoule, refoules, refoulons, refoulez, )
    • dompter werkwoord (dompte, domptes, domptons, domptez, )
    • baisser de ton werkwoord
    • retenir werkwoord (retiens, retient, retenons, retenez, )
    • reprendre werkwoord (reprends, reprend, reprenons, reprenez, )
    • calmer werkwoord (calme, calmes, calmons, calmez, )
    • réprimer werkwoord (réprime, réprimes, réprimons, réprimez, )
  2. bedaren (tot kalmte manen; kalmeren; sussen)
    calmer; apaiser
    • calmer werkwoord (calme, calmes, calmons, calmez, )
    • apaiser werkwoord (apaise, apaises, apaisons, apaisez, )

Conjugations for bedaren:

o.t.t.
  1. bedaar
  2. bedaart
  3. bedaart
  4. bedaren
  5. bedaren
  6. bedaren
o.v.t.
  1. bedaarde
  2. bedaarde
  3. bedaarde
  4. bedaarden
  5. bedaarden
  6. bedaarden
v.t.t.
  1. ben bedaard
  2. bent bedaard
  3. is bedaard
  4. zijn bedaard
  5. zijn bedaard
  6. zijn bedaard
v.v.t.
  1. was bedaard
  2. was bedaard
  3. was bedaard
  4. waren bedaard
  5. waren bedaard
  6. waren bedaard
o.t.t.t.
  1. zal bedaren
  2. zult bedaren
  3. zal bedaren
  4. zullen bedaren
  5. zullen bedaren
  6. zullen bedaren
o.v.t.t.
  1. zou bedaren
  2. zou bedaren
  3. zou bedaren
  4. zouden bedaren
  5. zouden bedaren
  6. zouden bedaren
diversen
  1. bedaar!
  2. bedaart!
  3. bedaard
  4. bedarende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor bedaren:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
apaiser bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; kalmeren; matigen; sussen; tot kalmte manen afkoelen; begeerte stillen; bemoedigen; bevredigen; dempen; geruststellen; kalmeren; koel worden; matigen; ondersteunen; opbeuren; temperen; tevreden stellen; troosten; vergenoegen; vertroosten; verzadigen; voldoening geven; zich de buik vol eten; zich matigen; zich verzoenen met
baisser de ton bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen
brider bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen beheersen; beteugelen; intomen
calmer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; kalmeren; matigen; sussen; tot kalmte manen begeerte stillen; bevredigen; dempen; geruststellen; kalmeren; matigen; met mate gebruiken; temperen; voldoening geven; zich matigen
contraindre bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen aanvallen; afdwingen; africhten; attaqueren; bedwingen; bestormen; beteugelen; dier africhten; dresseren; dwingen; forceren; in bedwang houden; noodzaken tot; overvallen; trainen
dominer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beheersen; beteugelen; de overhand hebben; domineren; gezaghebben; groeien; groot worden; heerschappij voeren; heersen; heersen over; in bedwang houden; intomen; macht uitoefenen; machtiger zijn; onder gezag brengen; onderdrukken; onderwerpen; opgroeien; overheersen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; regeren; terughouden; uitrijzen; uittorenen; zich meester maken van
dompter bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen africhten; bedwingen; beheersen; beteugelen; dier africhten; dresseren; in bedwang houden; intomen; onder gezag brengen; onderdrukken; onderwerpen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; temmen; terughouden; trainen; zich meester maken van
maîtriser bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beheersen; beperken; beteugelen; de overhand hebben; domineren; gezaghebben; heersen; in bedwang houden; indammen; inkapselen; inperken; intomen; leerstof beheersen; limiteren; macht uitoefenen; onder de knie hebben; onder gezag brengen; onderdrukken; onderwerpen; overheersen; overmannen; overmeesteren; overweldigen; regeren; terughouden; zich meester maken van
modérer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen dempen; lenigen; matigen; met mate gebruiken; temperen; verlichten; vermurwen; vervriendelijken; verweken; verzachten; week worden; zich matigen
refouler bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beteugelen; gevoelens verdringen; in bedwang houden; inmaken; inpekelen; inzouten; onderdrukken; ophopen; opkroppen; opstapelen; opzouten; terugdrijven; terugdringen; terughouden; verdringen; wegdringen; wegdrukken; wegduwen; wegebben; wegschuiven; wegsteken; wegstoppen
reprendre bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen berispen; corrigeren; de draad weer oppakken; hernemen; heroveren; herroepen; hervatten; hervinden; intrekken; opnieuw beginnen; terechtwijzen; terugkomen op; terugroepen; terugvinden; verbeteren; vermanen; zijn woorden terugnemen
retenir bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen achterhouden; afhouden; aftrekken; bedwingen; beet hebben; beletten; bemantelen; beteugelen; blijven staan; charteren; dwarsbomen; dwarsliggen; ervanaf houden; geen afstand doen van; gevangen zetten; handhaven; houden; huren; in bedwang houden; in de cel zetten; in mindering brengen; inhouden; interneren; isoleren; naar zich toe trekken; niet laten gaan; onderdrukken; onthouden; opnemen; opslaan; opsluiten; reserveren; stand houden; stilhouden; stilstaan; stoppen; tegenwerken; terughouden; vasthebben; vasthouden; vastzetten; verbergen; verduisteren; verheimelijken; verhullen; verrekenen; versluieren; verstoppen; voorbehouden; weerhouden; wegstoppen
retirer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen aanwrijven; achteroverdrukken; afbestellen; afgelasten; afnemen; afzeggen; annuleren; bedwingen; benemen; beroven van; beschuldigen; beteugelen; blameren; depriveren; gappen; herroepen; iemand iets aanrekenen; iemand iets verwijten; in bedwang houden; inpikken; intrekken; jatten; kapen; kwalijk nemen; laken; ledigen; leeghalen; leegmaken; leegstelen; loshalen; nadragen; nietig verklaren; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; pikken; plunderen; roven; snaaien; stelen; te kort doen; terugkomen op; terugroepen; toeëigenen; uithalen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; voor de voeten gooien; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken; zijn woorden terugnemen
réprimer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beheersen; beteugelen; de kop indrukken; dempen; eronder krijgen; in bedwang houden; intomen; klein krijgen; matigen; onderdrukken; temperen; terughouden; zich matigen
se contenir bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; beheersen; beteugelen; blijven staan; goed houden; groot houden; in bedwang houden; inbinden; inhouden; inslikken; onderdrukken; rustig blijven; stilhouden; stilstaan; stoppen; terughouden; zich bedwingen
se modérer bedaren; bedwingen; beheersen; beteugelen; intomen; matigen bedwingen; besparen; beteugelen; in bedwang houden; matigen; minder gebruiken; onderdrukken; terughouden


Verwante vertalingen van bedaren