Nederlands

Uitgebreide vertaling voor in elkaar timmeren (Nederlands) in het Frans

in elkaar timmeren:

in elkaar timmeren werkwoord (timmer in elkaar, timmert in elkaar, timmerde in elkaar, timmerden in elkaar, in elkaar getimmerd)

  1. in elkaar timmeren (afranselen; aftuigen; aframmelen; afrossen; toetakelen)
    tabasser; châtier; fouetter; amocher; donner une raclée; étriller; flageller; boxer; rosser; rouer de coups; donner une raclée à
    • tabasser werkwoord (tabasse, tabasses, tabassons, tabassez, )
    • châtier werkwoord (châtie, châties, châtions, châtiez, )
    • fouetter werkwoord (fouette, fouettes, fouettons, fouettez, )
    • amocher werkwoord (amoche, amoches, amochons, amochez, )
    • donner une raclée werkwoord
    • étriller werkwoord
    • flageller werkwoord (flagelle, flagelles, flagellons, flagellez, )
    • boxer werkwoord (boxe, boxes, boxons, boxez, )
    • rosser werkwoord (rosse, rosses, rossons, rossez, )
    • rouer de coups werkwoord
  2. in elkaar timmeren (in elkaar rammen; afrossen; aframmelen; 'n aframmeling geven)
    rosser; donner une raclée à; donner une rossée à; flanquer une rossée à
  3. in elkaar timmeren (timmerend in elkaar zetten; ineentimmeren)
    construire
    • construire werkwoord (construis, construit, construisons, construisez, )

Conjugations for in elkaar timmeren:

o.t.t.
  1. timmer in elkaar
  2. timmert in elkaar
  3. timmert in elkaar
  4. timmeren in elkaar
  5. timmeren in elkaar
  6. timmeren in elkaar
o.v.t.
  1. timmerde in elkaar
  2. timmerde in elkaar
  3. timmerde in elkaar
  4. timmerden in elkaar
  5. timmerden in elkaar
  6. timmerden in elkaar
v.t.t.
  1. heb in elkaar getimmerd
  2. hebt in elkaar getimmerd
  3. heeft in elkaar getimmerd
  4. hebben in elkaar getimmerd
  5. hebben in elkaar getimmerd
  6. hebben in elkaar getimmerd
v.v.t.
  1. had in elkaar getimmerd
  2. had in elkaar getimmerd
  3. had in elkaar getimmerd
  4. hadden in elkaar getimmerd
  5. hadden in elkaar getimmerd
  6. hadden in elkaar getimmerd
o.t.t.t.
  1. zal in elkaar timmeren
  2. zult in elkaar timmeren
  3. zal in elkaar timmeren
  4. zullen in elkaar timmeren
  5. zullen in elkaar timmeren
  6. zullen in elkaar timmeren
o.v.t.t.
  1. zou in elkaar timmeren
  2. zou in elkaar timmeren
  3. zou in elkaar timmeren
  4. zouden in elkaar timmeren
  5. zouden in elkaar timmeren
  6. zouden in elkaar timmeren
en verder
  1. ben in elkaar getimmerd
  2. bent in elkaar getimmerd
  3. is in elkaar getimmerd
  4. zijn in elkaar getimmerd
  5. zijn in elkaar getimmerd
  6. zijn in elkaar getimmerd
diversen
  1. timmer in elkaar!
  2. timmert in elkaar!
  3. in elkaar getimmerd
  4. in elkaar timmerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor in elkaar timmeren:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
amocher aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen aan de zwerf zijn; afranselen; iemand toetakelen; in elkaar slaan; knauwen; pijn bezorgen; pijn doen; rondzwerven; toetakelen; verwonden; zeer doen; zwerven
boxer aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen boksen
châtier aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen afstraffen; geselen; kastijden; straffen; tuchtigen
construire in elkaar timmeren; ineentimmeren; timmerend in elkaar zetten aanbouwen; aanbrengen; aanleggen; arrangeren; bijbouwen; bouwen; construeren; expanderen; iets op touw zetten; in het leven roepen; installeren; maken; monteren en aansluiten; opbouwen; openen; oprichten; optrekken; overeindzetten; plaatsen; regelen; scheppen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden
donner une raclée aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen billekoek geven; een pak slaag geven; ranselen
donner une raclée à 'n aframmeling geven; aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar rammen; in elkaar timmeren; toetakelen afdrogen; drogen; droogmaken
donner une rossée à 'n aframmeling geven; aframmelen; afrossen; in elkaar rammen; in elkaar timmeren
flageller aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen
flanquer une rossée à 'n aframmeling geven; aframmelen; afrossen; in elkaar rammen; in elkaar timmeren
fouetter aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen geselen; hard slaan; hengsten; kastijden; klutsen; meppen; slaan; snerpen; timmeren; tuchtigen
rosser 'n aframmeling geven; aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar rammen; in elkaar timmeren; toetakelen afdrogen; drogen; droogmaken; ranselen
rouer de coups aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen knuppelen; ranselen
tabasser aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen bakkeleien; beuken; bonken; duelleren; hameren; kampen; kleunen; knokken; knuppelen; matten; rammen; ranselen; slaan; vechten
étriller aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar timmeren; toetakelen afzetten; bedonderen; bedriegen; beduvelen; belazeren; besodemieteren; misleiden; oplichten; zwendelen

Verwante vertalingen van in elkaar timmeren