Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. pons:
  2. ponsen:
  3. pon:
  4. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor pons (Nederlands) in het Frans

pons:

pons [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de pons
    le poinçon; la perforatrice; la poinçonneuse

Vertaal Matrix voor pons:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
perforatrice pons boor; boormachine; houtboor; perforator
poinçon pons drevel; eigenschap; elsbes; handelsmerk; handelsnaam; inktstempel; karakteristiek; karaktertrek; kenmerk; keur; priem; stempel; stigma; waarborg; warenmerk; zegel
poinçonneuse pons revolvertang

Verwante woorden van "pons":


Wiktionary: pons

pons
noun
  1. Outil pour marquer les ouvrages d’or ou d'argent

ponsen:

ponsen werkwoord (pons, ponst, ponste, ponsten, geponst)

  1. ponsen (stansen; doorponsen)
    poinçonner; étamper; perforer
    • poinçonner werkwoord (poinçonne, poinçonnes, poinçonnons, poinçonnez, )
    • étamper werkwoord (étampe, étampes, étampons, étampez, )
    • perforer werkwoord (perfore, perfores, perforons, perforez, )

Conjugations for ponsen:

o.t.t.
  1. pons
  2. ponst
  3. ponst
  4. ponsen
  5. ponsen
  6. ponsen
o.v.t.
  1. ponste
  2. ponste
  3. ponste
  4. ponsten
  5. ponsten
  6. ponsten
v.t.t.
  1. heb geponst
  2. hebt geponst
  3. heeft geponst
  4. hebben geponst
  5. hebben geponst
  6. hebben geponst
v.v.t.
  1. had geponst
  2. had geponst
  3. had geponst
  4. hadden geponst
  5. hadden geponst
  6. hadden geponst
o.t.t.t.
  1. zal ponsen
  2. zult ponsen
  3. zal ponsen
  4. zullen ponsen
  5. zullen ponsen
  6. zullen ponsen
o.v.t.t.
  1. zou ponsen
  2. zou ponsen
  3. zou ponsen
  4. zouden ponsen
  5. zouden ponsen
  6. zouden ponsen
diversen
  1. pons!
  2. ponst!
  3. geponst
  4. ponsend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor ponsen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
perforer doorponsen; ponsen; stansen aanboren; boren; doorboren; doordringen; doorsteken; erdoor steken; gaatjes maken in; penetreren; perforeren
poinçonner doorponsen; ponsen; stansen
étamper doorponsen; ponsen; stansen

Verwante woorden van "ponsen":


Wiktionary: ponsen

ponsen
verb
  1. gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons
ponsen
verb
  1. Traverser en faisant un trou, une ouverture. (Sens général).

pon:

pon [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de pon (nachtjapon)
    la chemise de nuit

Vertaal Matrix voor pon:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
chemise de nuit nachtjapon; pon nachtgewaad; nachthemd; nachtjapon

Verwante woorden van "pon":

  • ponnen, ponen, pons