Nederlands

Uitgebreide vertaling voor scheppend (Nederlands) in het Frans

scheppend:

scheppend bijvoeglijk naamwoord

  1. scheppend
    créateur; constructeur

Vertaal Matrix voor scheppend:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
constructeur aannemer; auteur; bouwer; bouwondernemer; bouwvakker; constructeur; constructor; creator; fabrikant; maker; producent; samensteller; schepper; vervaardiger; voortbrenger
créateur aanstichter; aanzetter; artdirector; auteur; creator; designer; grondlegger; grondvester; instigator; maker; ontwerper; ontwerper van reclame; oprichter; oprichtster; opstoker; reclameontwerper; schepper; stamvader; stichter
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
constructeur scheppend
créateur scheppend

scheppend vorm van scheppen:

scheppen werkwoord (schep, schept, schepte, schepten, geschept)

  1. scheppen (in het leven roepen; maken)
    faire; créer; fabriquer; construire; réaliser; concevoir; élaborer; former; confectionner
    • faire werkwoord (fais, fait, faisons, faites, )
    • créer werkwoord (crée, crées, créons, créez, )
    • fabriquer werkwoord (fabrique, fabriques, fabriquons, fabriquez, )
    • construire werkwoord (construis, construit, construisons, construisez, )
    • réaliser werkwoord (réalise, réalises, réalisons, réalisez, )
    • concevoir werkwoord (conçois, conçoit, concevons, concevez, )
    • élaborer werkwoord (élabore, élabores, élaborons, élaborez, )
    • former werkwoord (forme, formes, formons, formez, )
    • confectionner werkwoord (confectionne, confectionnes, confectionnons, confectionnez, )
  2. scheppen (lepelen)
  3. scheppen (opgraven; graven; opdelven)
    exhumer; déterrer
    • exhumer werkwoord (exhume, exhumes, exhumons, exhumez, )
    • déterrer werkwoord (déterre, déterres, déterrons, déterrez, )

Conjugations for scheppen:

o.t.t.
  1. schep
  2. schept
  3. schept
  4. scheppen
  5. scheppen
  6. scheppen
o.v.t.
  1. schepte
  2. schepte
  3. schepte
  4. schepten
  5. schepten
  6. schepten
v.t.t.
  1. heb geschept
  2. hebt geschept
  3. heeft geschept
  4. hebben geschept
  5. hebben geschept
  6. hebben geschept
v.v.t.
  1. had geschept
  2. had geschept
  3. had geschept
  4. hadden geschept
  5. hadden geschept
  6. hadden geschept
o.t.t.t.
  1. zal scheppen
  2. zult scheppen
  3. zal scheppen
  4. zullen scheppen
  5. zullen scheppen
  6. zullen scheppen
o.v.t.t.
  1. zou scheppen
  2. zou scheppen
  3. zou scheppen
  4. zouden scheppen
  5. zouden scheppen
  6. zouden scheppen
en verder
  1. ben geschept
  2. bent geschept
  3. is geschept
  4. zijn geschept
  5. zijn geschept
  6. zijn geschept
diversen
  1. schep!
  2. schept!
  3. geschept
  4. scheppend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

scheppen [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het scheppen (creëren; maken)
    la création; la fabrication

scheppen [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de scheppen (spades; schoppen)
    la pelles; la bêches
    • pelles [la ~] zelfstandig naamwoord
    • bêches [la ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor scheppen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bêches scheppen; schoppen; spades
création creëren; maken; scheppen creatie; fabrikaat; grondlegging; kunstwerk; maak; maaksel; meesterwerk; merk; product; schepping; verwekking; voortbrenging; werk
fabrication creëren; maken; scheppen aanmaak; aanmaken; constructie; creatie; fabricage; fabricatie; fabriceren; fabrikaat; maak; maaksel; makelij; maken; merk; produceren; product; productie; schepping; vervaardigen; vervaardiging
pelles scheppen; schoppen; spades
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
concevoir in het leven roepen; maken; scheppen begrijpen; beramen; beseffen; concipiëren; doorzien; doorzien hebben; inzien; met het verstand vatten; onderkennen; ontwerpen; plannen; ramen; realiseren; schatten; snappen; taxeren; verstaan
confectionner in het leven roepen; maken; scheppen
construire in het leven roepen; maken; scheppen aanbouwen; aanbrengen; aanleggen; arrangeren; bijbouwen; bouwen; construeren; expanderen; iets op touw zetten; in elkaar timmeren; ineentimmeren; installeren; monteren en aansluiten; opbouwen; openen; oprichten; optrekken; overeindzetten; plaatsen; regelen; timmerend in elkaar zetten; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden
créer in het leven roepen; maken; scheppen arrangeren; fabriceren; formeren; iets op touw zetten; maken; produceren; regelen; tot stand brengen; trekken; vervaardigen; voor elkaar krijgen; voortbrengen
déterrer graven; opdelven; opgraven; scheppen opduikelen; opscharrelen; opsnorren; opvissen; te voorschijn halen; voor de dag halen
exhumer graven; opdelven; opgraven; scheppen
fabriquer in het leven roepen; maken; scheppen fabriceren; maken; produceren; uitdenken; uitdokteren; uithalen; uitkienen; uitknobbelen; uitspoken; vervaardigen; voortbrengen; zich voltrekken
faire in het leven roepen; maken; scheppen aandoen; aanrichten; aanstichten; aanvangen; afkrijgen; afmaken; afronden; afwerken; beginnen; beoefenen; berokkenen; beëindigen; completeren; doen; een einde maken aan; handelen; klaarkrijgen; klaarmaken; plegen; praktiseren; sport uitoefenen; starten; tot stand brengen; uitoefenen; uitrichten; uitvoeren; van start gaan; veroorzaken; verrichten; volbrengen; volmaken; voltooien; voor elkaar krijgen
former in het leven roepen; maken; scheppen bekwamen; bijbrengen; boetseren; coachen; formeren; grootbrengen; harden; kneden; leren; maken; modelleren; oefenen; onderwijzen; opvoeden; trainen; vervaardigen; vorm geven; vormen; vormgeven
manger à la cuiller lepelen; scheppen
réaliser in het leven roepen; maken; scheppen arbeiden; bedingen; begrijpen; behalen; bewerkstelligen; doen; fixen; handelen; iets bemachtigen; inzien; klaarspelen; lappen; met het verstand vatten; realiseren; regisseren; snappen; te pakken krijgen; ten gelde maken; tot stand brengen; tot stand komen; totstandbrengen; uitrichten; uitvoeren; verkrijgen; verrichten; verwerkelijken; verwezenlijken; voor elkaar krijgen; werken; winnen; zich voltrekken
élaborer in het leven roepen; maken; scheppen ontwerpen; preciseren; uitwerken

Verwante woorden van "scheppen":


Synoniemen voor "scheppen":


Verwante definities voor "scheppen":

  1. het maken, laten ontstaan1
    • God schiep de wereld in zeven dagen1
  2. het met een schep verplaatsen1
    • ik schepte het zand in de kruiwagen1

Wiktionary: scheppen

scheppen
verb
  1. het doen ontstaan uit niets
scheppen
verb
  1. former un tout de l’assemblage de plusieurs parties, parler des choses physiques et des choses morales.
  2. tirer quelque chose du néant, faire de rien quelque chose.
  3. Prendre de l’eau dans un puits, dans une rivière, à une source, etc.
  4. Exercer le métier d’auteur

Cross Translation:
FromToVia
scheppen créer create — to put into existence
scheppen peller shovel — to move materials with a shovel
scheppen créer schaffen — etwas künstlerisch oder handwerklich erzeugen

Verwante vertalingen van scheppend