Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. uitspatten:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor uitspatten (Nederlands) in het Frans

uitspatten:

uitspatten werkwoord (spat uit, spatte uit, spatten uit, uitgespat)

  1. uitspatten
    bambocher; faire la noce
    • bambocher werkwoord (bamboche, bamboches, bambochons, bambochez, )
    • faire la noce werkwoord

Conjugations for uitspatten:

o.t.t.
  1. spat uit
  2. spat uit
  3. spat uit
  4. spatten uit
  5. spatten uit
  6. spatten uit
o.v.t.
  1. spatte uit
  2. spatte uit
  3. spatte uit
  4. spatten uit
  5. spatten uit
  6. spatten uit
v.t.t.
  1. ben uitgespat
  2. bent uitgespat
  3. is uitgespat
  4. zijn uitgespat
  5. zijn uitgespat
  6. zijn uitgespat
v.v.t.
  1. was uitgespat
  2. was uitgespat
  3. was uitgespat
  4. waren uitgespat
  5. waren uitgespat
  6. waren uitgespat
o.t.t.t.
  1. zal uitspatten
  2. zult uitspatten
  3. zal uitspatten
  4. zullen uitspatten
  5. zullen uitspatten
  6. zullen uitspatten
o.v.t.t.
  1. zou uitspatten
  2. zou uitspatten
  3. zou uitspatten
  4. zouden uitspatten
  5. zouden uitspatten
  6. zouden uitspatten
diversen
  1. spat uit!
  2. spat uit!
  3. uitgespat
  4. uitspattend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor uitspatten:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bambocher uitspatten flaneren
faire la noce uitspatten aan de zwier gaan; boemelen; de hort op gaan; stappen; uitgaan