Nederlands

Uitgebreide vertaling voor weerlicht (Nederlands) in het Frans

weerlicht:

weerlicht [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de weerlicht (bliksem)
    la foudre; l'éclair
    • foudre [la ~] zelfstandig naamwoord
    • éclair [le ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor weerlicht:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
foudre bliksem; weerlicht bliksem; bliksemflits; bliksemschicht; bliksemslag; flits
éclair bliksem; weerlicht bliksem; bliksemflits; bliksemschicht; bliksemslag; flakkering; flikkering; flits; flitslicht; geflikker; hemelvuur; schicht; schijn; schittering; snel beeld

Verwante woorden van "weerlicht":


Wiktionary: weerlicht


Cross Translation:
FromToVia
weerlicht éclair lightning — flash of light
weerlicht foudre lightning — discharge
weerlicht éclair de chaleur; fulguration; chalin; chalan; chalain; chaline; feu chalain; feu chalin; marionnette WetterleuchtenMeteorologie: nicht oder nur schwach von Donner begleiteter Widerschein von Blitzen eines fernen Gewitters

weerlichten:

weerlichten werkwoord (weerlicht, weerlichtte, weerlichtten, geweerlicht)

  1. weerlichten (bliksemen; lichten)
    foudroyer; donner des éclairs; lever; décharger
    • foudroyer werkwoord (foudroie, foudroies, foudroyons, foudroyez, )
    • lever werkwoord (lève, lèves, levons, levez, )
    • décharger werkwoord (décharge, décharges, déchargons, déchargez, )

Conjugations for weerlichten:

o.t.t.
  1. weerlicht
  2. weerlicht
  3. weerlicht
  4. weerlichten
  5. weerlichten
  6. weerlichten
o.v.t.
  1. weerlichtte
  2. weerlichtte
  3. weerlichtte
  4. weerlichtten
  5. weerlichtten
  6. weerlichtten
v.t.t.
  1. heb geweerlicht
  2. hebt geweerlicht
  3. heeft geweerlicht
  4. hebben geweerlicht
  5. hebben geweerlicht
  6. hebben geweerlicht
v.v.t.
  1. had geweerlicht
  2. had geweerlicht
  3. had geweerlicht
  4. hadden geweerlicht
  5. hadden geweerlicht
  6. hadden geweerlicht
o.t.t.t.
  1. zal weerlichten
  2. zult weerlichten
  3. zal weerlichten
  4. zullen weerlichten
  5. zullen weerlichten
  6. zullen weerlichten
o.v.t.t.
  1. zou weerlichten
  2. zou weerlichten
  3. zou weerlichten
  4. zouden weerlichten
  5. zouden weerlichten
  6. zouden weerlichten
diversen
  1. weerlicht!
  2. weerlichtt!
  3. geweerlicht
  4. weerlichtend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

weerlichten [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het weerlichten (bliksems)
    l'éclairs; la fulgurations

Vertaal Matrix voor weerlichten:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fulgurations bliksems; weerlichten
éclairs bliksems; weerlichten
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
donner des éclairs bliksemen; lichten; weerlichten flitsen; lichten; oplichten
décharger bliksemen; lichten; weerlichten aan de dijk zetten; afdanken; afladen; afmaken; afreageren; afscheiden; afschieten; afslachten; afvloeien; afvoeren; afvuren; congé geven; dechargeren; doden; ecarteren; eruit gooien; flitsen; iets uitladen; ledigen; leeggieten; leegmaken; leegstorten; lichten; lossen; lozen; luchten; moorden; neerhalen; neersabelen; neerschieten; om het leven brengen; ombrengen; onschuldig verklaren; ontheffen; ontladen; ontslaan; oplichten; schieten; schieten op; schoten lossen; uitgieten; uitladen; uitscheiden; uitschenken; uitstoten; uitsturen; uitwerpen; van zijn positie verdrijven; vermoorden; verzenden; vrijpleiten; vrijspreken; vuren; wegsturen; wegzenden; zuiveren
foudroyer bliksemen; lichten; weerlichten flitsen; lichten; oplichten
lever bliksemen; lichten; weerlichten aanwassen; afhalen; afnemen; expanderen; gaan staan; heffen; hieuwen; hieven; hijsen; in de hoogte steken; lichten; meenemen; met een spil omhoogwerken; met een takel ophijsen; naar boven tillen; naar boven trekken; nullificeren; omhoog brengen; omhoog doen; omhoog heffen; omhoog komen; omhoog rijzen; omhoog rukken; omhoog trekken; omhooghalen; omhoogheffen; omhoogkomen; omhoogrukken; omhoogsteken; omhoogstijgen; ondervangen; openen; ophalen; opheffen; ophijsen; opstaan; optillen; opzwellen; rijzen; stijgen; takelen; teniet doen; tillen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; verheffen; verijdelen; vermeerderen; vernietigen; verruimen; verwijden; weghalen; wegnemen; zwellen

Verwante woorden van "weerlichten":