Nederlands

Uitgebreide synoniemen voor aard in het Nederlands

aard:

aard [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de aard
    het karakter; de aard; de geaardheid; de inborst
    • karakter [het ~] zelfstandig naamwoord
    • aard [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • geaardheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • inborst [de ~] zelfstandig naamwoord
  2. de aard
    het karakter; de mentaliteit; het gemoed; de natuur; de geaardheid; de aard; de inborst; de inslag
    • karakter [het ~] zelfstandig naamwoord
    • mentaliteit [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • gemoed [het ~] zelfstandig naamwoord
    • natuur [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • geaardheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • aard [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • inborst [de ~] zelfstandig naamwoord
    • inslag [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  3. de aard
    de soort; de aard
    • soort [de ~] zelfstandig naamwoord
    • aard [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  4. de aard
    de klasse; de onderverdeling; de aard
    • klasse [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • onderverdeling [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • aard [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  5. de aard
    – manier waarop iets of iemand in elkaar zit 1
    de natuur; het karakter; de aard; de persoonlijkheid
    – manier waarop iets of iemand in elkaar zit 1
    • natuur [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
      • van nature is hij heel vrolijk1
    • karakter [het ~] zelfstandig naamwoord
      • hij heeft een vriendelijk karakter1
    • aard [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
      • Tina is opvliegend van aard1
    • persoonlijkheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
      • dat gedrag past niet bij zijn persoonlijkheid1

Verwante woorden van "aard":


Alternatieve synoniemen voor "aard":


Verwante definities voor "aard":

  1. manier waarop iets of iemand in elkaar zit1
    • Tina is opvliegend van aard1

aarden:

aarden werkwoord (aard, aardt, aardde, aardden, geaard)

  1. aarden
    aarden; gronden
    • aarden werkwoord (aard, aardt, aardde, aardden, geaard)
    • gronden werkwoord (grond, grondt, grondde, grondden, gegrond)
  2. aarden
    op aarde aansluiten; aarden
  3. aarden
    wennen; aanpassen; aarden; gewendraken
    • wennen werkwoord (wen, went, wende, wenden, gewend)
    • aanpassen werkwoord (pas aan, past aan, paste aan, pasten aan, aangepast)
    • aarden werkwoord (aard, aardt, aardde, aardden, geaard)
    • gewendraken werkwoord

Conjugations for aarden:

o.t.t.
  1. aard
  2. aardt
  3. aardt
  4. aarden
  5. aarden
  6. aarden
o.v.t.
  1. aardde
  2. aardde
  3. aardde
  4. aardden
  5. aardden
  6. aardden
v.t.t.
  1. ben geaard
  2. bent geaard
  3. is geaard
  4. zijn geaard
  5. zijn geaard
  6. zijn geaard
v.v.t.
  1. was geaard
  2. was geaard
  3. was geaard
  4. waren geaard
  5. waren geaard
  6. waren geaard
o.t.t.t.
  1. zal aarden
  2. zult aarden
  3. zal aarden
  4. zullen aarden
  5. zullen aarden
  6. zullen aarden
o.v.t.t.
  1. zou aarden
  2. zou aarden
  3. zou aarden
  4. zouden aarden
  5. zouden aarden
  6. zouden aarden
diversen
  1. aard!
  2. aardt!
  3. geaard
  4. aardende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Verwante synoniemen voor aard