Overzicht
Nederlands Synoniemen:   Meer gegevens...
  1. overgaan:


Nederlands

Uitgebreide synoniemen voor overgaan in het Nederlands

overgaan:

overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)

  1. overgaan
    overgaan
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
  2. overgaan
    bellen; overgaan
    • bellen werkwoord (bel, belt, belde, belden, gebeld)
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
  3. overgaan
    – naar de andere kant gaan 1
    overgaan
    – naar de andere kant gaan 1
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
      • we gaan de grens over1
  4. overgaan
    – naar een hogere klas gaan 1
    overgaan
    – naar een hogere klas gaan 1
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
      • ga je over in juli?1
  5. overgaan
    – rinkelen 1
    overgaan
    – rinkelen 1
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
      • de telefoon gaat drie keer over1
  6. overgaan
    – van de ene toestand in de andere veranderen 1
    overgaan
    – van de ene toestand in de andere veranderen 1
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
      • langzaam gaat het water over in ijs1
  7. overgaan
    – iets anders gaan gebruiken 1
    overgaan
    – iets anders gaan gebruiken 1
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
      • we gaan over op aardgas1
  8. overgaan
    – voorbij gaan 1
    overgaan; verdwijnen
    – voorbij gaan 1
    • overgaan werkwoord (ga over, gaat over, ging over, gingen over, overgegaan)
      • die pijn gaat wel weer over1
    • verdwijnen werkwoord (verdwijn, verdwijnt, verdween, verdwenen, verdwenen)
      • de pijn is verdwenen1

Conjugations for overgaan:

o.t.t.
  1. ga over
  2. gaat over
  3. gaat over
  4. gaan over
  5. gaan over
  6. gaan over
o.v.t.
  1. ging over
  2. ging over
  3. ging over
  4. gingen over
  5. gingen over
  6. gingen over
v.t.t.
  1. ben overgegaan
  2. bent overgegaan
  3. is overgegaan
  4. zijn overgegaan
  5. zijn overgegaan
  6. zijn overgegaan
v.v.t.
  1. was overgegaan
  2. was overgegaan
  3. was overgegaan
  4. waren overgegaan
  5. waren overgegaan
  6. waren overgegaan
o.t.t.t.
  1. zal overgaan
  2. zult overgaan
  3. zal overgaan
  4. zullen overgaan
  5. zullen overgaan
  6. zullen overgaan
o.v.t.t.
  1. zou overgaan
  2. zou overgaan
  3. zou overgaan
  4. zouden overgaan
  5. zouden overgaan
  6. zouden overgaan
diversen
  1. ga over!
  2. gaat over!
  3. overgegaan
  4. overgaand
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Alternatieve synoniemen voor "overgaan":


Antoniemen van "overgaan":


Verwante definities voor "overgaan":

  1. naar de andere kant gaan1
    • we gaan de grens over1
  2. naar een hogere klas gaan1
    • ga je over in juli?1
  3. rinkelen1
    • de telefoon gaat drie keer over1
  4. van de ene toestand in de andere veranderen1
    • langzaam gaat het water over in ijs1
  5. iets anders gaan gebruiken1
    • we gaan over op aardgas1
  6. voorbij gaan1
    • die pijn gaat wel weer over1

Verwante synoniemen voor overgaan