Nederlands

Uitgebreide synoniemen voor zaakjes in het Nederlands

zaakjes:

zaakjes [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de zaakjes
    de dingen; de spullen; de zaakjes; de zaken; het goedje; de waar
    • dingen [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
    • spullen [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
    • zaakjes [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
    • zaken [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
    • goedje [het ~] zelfstandig naamwoord
    • waar [de ~] zelfstandig naamwoord

Verwante woorden van "zaakjes":


zaakjes vorm van zaakje:

zaakje [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het zaakje
    het incident; het zaakje
    • incident [het ~] zelfstandig naamwoord
    • zaakje [het ~] zelfstandig naamwoord

Verwante woorden van "zaakje":


zaakjes vorm van zaak:

zaak [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de zaak
    het geval; de kwestie; de zaak; de aangelegenheid; de affaire
    • geval [het ~] zelfstandig naamwoord
    • kwestie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
    • aangelegenheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • affaire [de ~] zelfstandig naamwoord
  2. de zaak
    het goed; het artikel; het voorwerp; het item; het ding; het object; de zaak
    • goed [het ~] zelfstandig naamwoord
    • artikel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • voorwerp [het ~] zelfstandig naamwoord
    • item [het ~] zelfstandig naamwoord
    • ding [het ~] zelfstandig naamwoord
    • object [het ~] zelfstandig naamwoord
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  3. de zaak
    de transactie; de deal; de zaak
    • transactie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • deal [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  4. de zaak
    het bedrijf; de onderneming; de firma; de zaak
    • bedrijf [het ~] zelfstandig naamwoord
    • onderneming [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • firma [de ~] zelfstandig naamwoord
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  5. de zaak
    de handel; de zaak; het winkelbedrijf; de nering; kleine onderneming; het bedrijf
  6. de zaak
    de winkel; de zaak; de winkelzaak
    • winkel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
    • winkelzaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  7. de zaak
    het geval; de kwestie; de zaak
    • geval [het ~] zelfstandig naamwoord
    • kwestie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  8. de zaak
    de handelsonderneming; de handelszaak; de zaak
  9. de zaak
    – plaats waar men iets maakt of doet om geld te verdienen 1
    het bedrijf; de zaak; de onderneming
    – plaats waar men iets maakt of doet om geld te verdienen 1
    • bedrijf [het ~] zelfstandig naamwoord
      • in dit bedrijf maakt men diepvriesprodukten1
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
      • Arie heeft een eigen zaak1
    • onderneming [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
      • in deze onderneming maakt men computers1
  10. de zaak
    – voorwerp 1
    de zaak; het ding
    – voorwerp 1
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
      • op de markt kun je allerlei zaken kopen1
    • ding [het ~] zelfstandig naamwoord
      • hoe heet dat ding ook al weer?1
  11. de zaak
    – waar het over gaat 1
    de zaak; de kwestie
    – waar het over gaat 1
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
      • dit is een zaak voor de politie1
    • kwestie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
      • ik heb de kwestie met hem besproken1

Verwante woorden van "zaak":


Alternatieve synoniemen voor "zaak":


Verwante definities voor "zaak":

  1. plaats waar men iets maakt of doet om geld te verdienen1
    • Arie heeft een eigen zaak1
  2. waar het over gaat1
    • dit is een zaak voor de politie1
  3. voorwerp1
    • op de markt kun je allerlei zaken kopen1