Overzicht
Nederlands naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. gemarmerd:
  2. marmeren:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor gemarmerd (Nederlands) in het Zweeds

gemarmerd:

gemarmerd bijvoeglijk naamwoord

  1. gemarmerd
    marmorerad; ådrigt; marmorerat; strimmig; strimmigt

Vertaal Matrix voor gemarmerd:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
marmorerad gemarmerd dooraderd; doorregen; doorwassen; marmerachtig
marmorerat gemarmerd dooraderd; doorregen; doorwassen
strimmig gemarmerd
strimmigt gemarmerd
ådrigt gemarmerd dooraderd; geaderd; generfd

marmeren:

marmeren werkwoord (marmer, marmert, marmerde, marmerden, gemarmerd)

  1. marmeren
    marmorera
    • marmorera werkwoord (marmorerar, marmorerade, marmorerat)

Conjugations for marmeren:

o.t.t.
  1. marmer
  2. marmert
  3. marmert
  4. marmeren
  5. marmeren
  6. marmeren
o.v.t.
  1. marmerde
  2. marmerde
  3. marmerde
  4. marmerden
  5. marmerden
  6. marmerden
v.t.t.
  1. heb gemarmerd
  2. hebt gemarmerd
  3. heeft gemarmerd
  4. hebben gemarmerd
  5. hebben gemarmerd
  6. hebben gemarmerd
v.v.t.
  1. had gemarmerd
  2. had gemarmerd
  3. had gemarmerd
  4. hadden gemarmerd
  5. hadden gemarmerd
  6. hadden gemarmerd
o.t.t.t.
  1. zal marmeren
  2. zult marmeren
  3. zal marmeren
  4. zullen marmeren
  5. zullen marmeren
  6. zullen marmeren
o.v.t.t.
  1. zou marmeren
  2. zou marmeren
  3. zou marmeren
  4. zouden marmeren
  5. zouden marmeren
  6. zouden marmeren
diversen
  1. marmer!
  2. marmert!
  3. gemarmerd
  4. marmerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor marmeren:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
marmorera marmeren