Overzicht
Nederlands naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. nabijheid:
  2. nabij:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor nabijheid (Nederlands) in het Zweeds

nabijheid:

nabijheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

  1. de nabijheid (buurt)
    närhet
    • närhet [-en] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor nabijheid:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
närhet buurt; nabijheid omstreken

Verwante woorden van "nabijheid":


Wiktionary: nabijheid


Cross Translation:
FromToVia
nabijheid närhet vicinity — proximity, or the state of being near

nabij:

nabij bijvoeglijk naamwoord

  1. nabij (nabijgelegen; dichtbij; in de buurt; vlakbij)
    i närheten

Vertaal Matrix voor nabij:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
i närheten dichtbij; in de buurt; nabij; nabijgelegen; vlakbij hier in de buurt; hieromtrent; in de omtrek

Verwante woorden van "nabij":


Wiktionary: nabij


Cross Translation:
FromToVia
nabij nära near — physically close
nabij i närheten av near — in close proximity to
nabij i närheten nearby — close to
nabij nära; när nigh — near, close by
nabij när près — À petite distance ou à peu de temps.
nabij vers; mot; omkring vers — (term, surtout au pluriel) suite de mots rythmer selon la quantité, l’accentuation, le nombre des syllabes ou le retour de la rime.