Overzicht
Nederlands naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. werkend:
  2. werken:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor werkend (Nederlands) in het Zweeds

werkend:

werkend bijvoeglijk naamwoord

  1. werkend (arbeidend; actief; bedrijvig; )
    idog; arbetssam

Vertaal Matrix voor werkend:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
arbetssam actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam actief; bedrijvig; bezig; druk
idog actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam actief; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; nijver; noest

Wiktionary: werkend


Cross Translation:
FromToVia
werkend fungerande functional — in good working order
werkend verksam; livlig; ivrig; aktiv actif — Qui agir ou qui a la vertu d’agir.
werkend verksam agissant — Qui agir, qui se donner beaucoup de mouvement.
werkend aktiv effectif — Qui est réellement et de fait, qui produit un résultat réel.
werkend aktiv énergique — Qui a de l’énergie.

werkend vorm van werken:

werken werkwoord (werk, werkt, werkte, werkten, gewerkt)

  1. werken (arbeiden)
    arbeta
    • arbeta werkwoord (arbetar, arbetade, arbetat)
  2. werken (te werk gaan; opereren; manipuleren; )
    fungera; arbeta; fortsätta
    • fungera werkwoord (fungerar, fungerade, fungerat)
    • arbeta werkwoord (arbetar, arbetade, arbetat)
    • fortsätta werkwoord (fortsätter, fortsatte, fortsatt)

Conjugations for werken:

o.t.t.
  1. werk
  2. werkt
  3. werkt
  4. werken
  5. werken
  6. werken
o.v.t.
  1. werkte
  2. werkte
  3. werkte
  4. werkten
  5. werkten
  6. werkten
v.t.t.
  1. heb gewerkt
  2. hebt gewerkt
  3. heeft gewerkt
  4. hebben gewerkt
  5. hebben gewerkt
  6. hebben gewerkt
v.v.t.
  1. had gewerkt
  2. had gewerkt
  3. had gewerkt
  4. hadden gewerkt
  5. hadden gewerkt
  6. hadden gewerkt
o.t.t.t.
  1. zal werken
  2. zult werken
  3. zal werken
  4. zullen werken
  5. zullen werken
  6. zullen werken
o.v.t.t.
  1. zou werken
  2. zou werken
  3. zou werken
  4. zouden werken
  5. zouden werken
  6. zouden werken
diversen
  1. werk!
  2. werkt!
  3. gewerkt
  4. werkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

werken [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het werken (werking)
    funkar
    • funkar zelfstandig naamwoord
  2. het werken (functioneren)
    fungerande

Vertaal Matrix voor werken:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fungerande functioneren; werken
funkar werken; werking
- doen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
arbeta arbeiden; handelen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; werken wrochten
fortsätta handelen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; werken aanhouden; aanzwiepen; avanceren; continueren; doorgaan; doorlopen; doorwerken; duur verlengen; een stapje verder gaan; op hol slaan; opdrijven; prolongeren; reactiveren; uit wachtstand halen; verder lopen; verdergaan; verlengen; vervolgen; voortdrijven; voortgaan; voortjagen; voortzetten; wegjagen
fungera handelen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; werken functioneren
- functioneren
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fungerande fungerend; handelend

Verwante woorden van "werken":


Synoniemen voor "werken":


Antoniemen van "werken":


Verwante definities voor "werken":

  1. het werk verrichten waarvoor het bedoeld is1
    • het koffieapparaat werkt weer1
  2. bezig zijn om geld te verdienen1
    • mijn vader werkt halve dagen1
  3. een taak verrichten, iets doen1
    • Anne werkt hard voor het proefwerk1
  4. effect of invloed hebben1
    • die pillen werken goed1
  5. langzaam krimpen, uitzetten enz.1
    • de houten vloer werkt nog een beetje1

Wiktionary: werken


Cross Translation:
FromToVia
werken jobba; arbeta arbeitenerwerbstätig sein, tätig sein, schöpferisch tätig sein
werken verka under firmanamn firmieren — einen bestimmten Firmennamen benutzen und mit diesem unterzeichnen
werken ; vara i gång laufenvon technischen Einrichtungen und: funktionstüchtig sein oder angeschaltet sein
werken jobba; arbeta work — to do a specific task
werken fungera; work — function correctly
werken variera différer — Traductions à trier suivant le sens
werken fungera fonctionneraccomplir sa fonction, en parlant d’un mécanisme, d’un organe, etc.
werken operera; göra opéreraccomplir une œuvre, produire un effet.
werken arbeta; verka travailler — Fournir un travail
werken variera varier — À trier

Verwante vertalingen van werkend