Overzicht


Zweeds

Uitgebreide vertaling voor läge (Zweeds) in het Frans

läge:

läge [-ett] zelfstandig naamwoord

  1. läge (position; ställning)
    l'emplacement; la situation; la position
  2. läge (orientering; belägenhet)
    l'emplacement; la situation; la localisation; la position
  3. läge

Vertaal Matrix voor läge:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
emplacement belägenhet; läge; orientering; plats; position; ställning area; gårdsplan; inhägnad gård; navigeringsplats; område; place; plats; yta
localisation belägenhet; läge; orientering; plats lokalisering; plats
mode mode; modus; sätt; tonfall; vis
position belägenhet; läge; orientering; plats; position; ställning anställning; arbete; förklarelse; gradera; hierarki; jobb; kondition; position; postulat; påstående; rangordning; rättsstatus; ställning; ståndpunkt; tankesätt; tes
situation belägenhet; läge; orientering; plats; position; ställning anställning; arbete; beskaffenhet; jobb; kondition; land; nation; omständighet; position; situation; skick; tillstånd
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
mode läge

Synoniemen voor "läge":


Wiktionary: läge


Cross Translation:
FromToVia
läge localisation; lieu location — place
läge situation situation — position vis-à-vis surroundings
läge situation situation — location
läge situation situation — state of affairs
läge position ligging — de wijze waarop iets of iemand gelegen is
läge site Lage — Stelle, an der etwas liegt
läge situation Lage — momentane Umstand/Verhältnis

Verwante vertalingen van läge



Frans

Uitgebreide vertaling voor läge (Frans) in het Zweeds

âge:

âge [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. l'âge (grand âge; vieillesse; ancienneté; âge avancé)
    ålder
    • ålder [-en] zelfstandig naamwoord
  2. l'âge (ancienneté; vieillesse)
    ålder; livstid; livslängd
  3. l'âge (âge d'homme; ancienneté; vieillesse; âge avancé)
    livstid
    • livstid [-en] zelfstandig naamwoord
  4. l'âge

Vertaal Matrix voor âge:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
livslängd ancienneté; vieillesse; âge constance; durabilité; durée de la vie; immutabilité; stabilité; vie
livstid ancienneté; vieillesse; âge; âge avancé; âge d'homme
ålder ancienneté; grand âge; siècle; vieillesse; âge; âge avancé; époque an; cycle; période; saison; temps; ère; époque
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
åldersfördela âge

Synoniemen voor "âge":


Wiktionary: âge

âge
noun
  1. Période écoulée depuis la naissance

Cross Translation:
FromToVia
âge livslängd; livstid age — whole duration of a being
âge ålder age — part of the duration of a being or thing between its beginning and any given time
âge era; ålder; tid age — particular period of time in history

âgé:

âgé bijvoeglijk naamwoord

  1. âgé (du troisième âge; vieux)
    åldrad; åldrat
  2. âgé (du troisième âge; vieillot)
    gammal; äldre; gammalt
  3. âgé (le plus âgé; vieillot; du troisième âge)
    äldst
    • äldst bijvoeglijk naamwoord

âgé [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. l'âgé (vieux; vieille)
    en äldre person

Vertaal Matrix voor âgé:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
en äldre person vieille; vieux; âgé
äldre personnes âgées; vieux
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
äldre du troisième âge; vieillot; âgé héritage; hérité, e
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gammal du troisième âge; vieillot; âgé vieux
gammalt du troisième âge; vieillot; âgé qui sent le moisi; vieux
äldst du troisième âge; le plus âgé; vieillot; âgé
åldrad du troisième âge; vieux; âgé
åldrat du troisième âge; vieux; âgé

Synoniemen voor "âgé":


Wiktionary: âgé


Cross Translation:
FromToVia
âgé gammal alt — vor langer Zeit gemacht oder geschehen
âgé gammal alt — von hohem Alter
âgé ålderstigen; bedagad betagt — geh.|: in vorgerücktem Alter
âgé åldrig greisgehoben: sehr alt