Frans

Uitgebreide vertaling voor place (Frans) in het Nederlands

place:

place [la ~] zelfstandig naamwoord

  1. la place (lieu; endroit; site)
    de plaats; de locatie; de plek
    • plaats [de ~] zelfstandig naamwoord
    • locatie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • plek [de ~] zelfstandig naamwoord

place bijvoeglijk naamwoord

  1. place (place par là)
    ksst; weg; vort; heen

Vertaal Matrix voor place:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
locatie endroit; lieu; place; site Services de localisation; emplacement; localisation; position; site; situation
plaats endroit; lieu; place; site contrée; district; domaine; département; province; région; territoire
plek endroit; lieu; place; site
weg chaussée; itinéraire; manche; parcours; piste; portion de route; ronde; route; route pavée; rue; tour; tournée; trajet; voie
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
heen place; place par là
vort place; place par là
weg place; place par là changé d'air; de; depuis; disparu; dès; parti; passé; perdu; péri; égaré
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ksst place; place par là

Synoniemen voor "place":


Wiktionary: place

place
noun
  1. lieu, endroit, espace qu’occuper ou que peut occuper une personne, une chose.
place
noun
  1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte

Cross Translation:
FromToVia
place plaats Platz — ein bestimmter Ort oder eine bestimmte Stelle
place plaats; plein Platz — weitläufige, offene Fläche, die als Betätigungs-,Veranstaltungs-, Erholungs- oder Versammlungsort dient
place plaats Platz — ein bestimmter Rang oder eine bestimmte Position
place plaats; ruimte Platzohne Plural: verfügbarer Raum
place plaats PlatzStelle, an der man sitzen oder stehen kann (Sitzplatz)
place functie; baan StelleArbeitsplatz
place plaats; plek Stelle — allgemeiner Ausdruck für einen Platz auf diversen Oberflächen
place plein place — open space, courtyard, market square
place plein plaza — a towns' public square
place ruimte; kamer; vertrek room — space
place plein; markt; plaats; square square — open space in a town
place vervangen; substitueren substitute — to use in place of something else, with the same function

placer:

placer werkwoord (place, places, plaçons, placez, )

  1. placer (déposer; mettre; poser; )
    leggen; plaatsen; zetten; deponeren; neerleggen; stationeren; neerzetten
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • neerleggen werkwoord (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • stationeren werkwoord (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • neerzetten werkwoord (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  2. placer (investir)
    investeren; beleggen
    • investeren werkwoord (investeer, investeert, investeerde, investeerden, geïnvesteerd)
    • beleggen werkwoord (beleg, belegt, belegde, belegden, belegd)
  3. placer (poser; mettre; déposer; ranger; installer)
    leggen; zetten; plaatsen
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
  4. placer (poser; mettre; déposer; ranger; installer)
    zetten; plaatsen
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
  5. placer (mettre; asseoir; insérer; )
    plaatsen; zetten; bijzetten; neerzetten
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • bijzetten werkwoord (zet bij, zette bij, zetten bij, bijgezet)
    • neerzetten werkwoord (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  6. placer (stocker; entreposer; emmagasiner; conserver)
    opslaan; bewaren; deponeren
    • opslaan werkwoord (sla op, slaat op, sloeg op, sloegen op, opgeslagen)
    • bewaren werkwoord (bewaar, bewaart, bewaarde, bewaarden, bewaard)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  7. placer (déterminer; trouver; découvrir; localiser)
    plaats toekennen; plaatsen
  8. placer (planter des pommes de terre)
    poten; aardappelen poten
  9. placer (mettre; poser; déposer)
    leggen; deponeren
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  10. placer (poser qch; mettre; préserver; )
    leggen; plaatsen; neerleggen; deponeren; wegleggen
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • neerleggen werkwoord (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • wegleggen werkwoord (leg weg, legt weg, legde weg, legden weg, weggelegd)
  11. placer (stationner; poster; mettre; déposer; poser)
    plaatsen; stationeren; posten; posteren
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • stationeren werkwoord (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • posten werkwoord (post, postte, postten, gepost)
    • posteren werkwoord (posteer, posteert, posteerde, posteerden, geposteerd)
  12. placer (coucher; mettre; déposer; )
    neerleggen; onderuit halen

Conjugations for placer:

Présent
  1. place
  2. places
  3. place
  4. plaçons
  5. placez
  6. placent
imparfait
  1. plaçais
  2. plaçais
  3. plaçait
  4. placions
  5. placiez
  6. plaçaient
passé simple
  1. plaçai
  2. plaças
  3. plaça
  4. plaçâmes
  5. plaçâtes
  6. placèrent
futur simple
  1. placerai
  2. placeras
  3. placera
  4. placerons
  5. placerez
  6. placeront
subjonctif présent
  1. que je place
  2. que tu places
  3. qu'il place
  4. que nous placions
  5. que vous placiez
  6. qu'ils placent
conditionnel présent
  1. placerais
  2. placerais
  3. placerait
  4. placerions
  5. placeriez
  6. placeraient
passé composé
  1. ai placé
  2. as placé
  3. a placé
  4. avons placé
  5. avez placé
  6. ont placé
divers
  1. place!
  2. placez!
  3. plaçons!
  4. placé
  5. plaçant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor placer:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bewaren conservation; garde; préservation
leggen arrêter le travail; commencer une grève
neerleggen fait de flinguer; fait de tirer; fait de tuer
neerzetten positionnement
posten envoi; expédition; livraison par la poste; livraison par poste
poten culture; plantation; superficie plantée; végétation
zetten composition; travail typographique
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aardappelen poten placer; planter des pommes de terre
beleggen investir; placer
bewaren conserver; emmagasiner; entreposer; placer; stocker archiver; conserver; garder; maintenir; mettre de côté; préserver; ranger
bijzetten appliquer; asseoir; garer; installer; insérer; mettre; placer; poser; signaler; stationner
deponeren conserver; coucher; déposer; emmagasiner; entreposer; garder; installer; mettre; placer; planter; poser; poser qch; préserver; ranger; situer; stationner; stocker déposer; transcrire; transférer; verser; virer
investeren investir; placer
leggen coucher; déposer; garder; installer; mettre; placer; planter; poser; poser qch; préserver; ranger; situer; stationner
neerleggen coucher; déposer; faire asseoir; fixer; garder; installer; insérer; mettre; placer; planter; poser; poser qch; préserver; ranger; situer; stationner déposer
neerzetten appliquer; asseoir; coucher; déposer; garer; installer; insérer; mettre; placer; planter; poser; signaler; situer; stationner
onderuit halen coucher; déposer; faire asseoir; fixer; installer; insérer; mettre; placer; poser
opslaan conserver; emmagasiner; entreposer; placer; stocker archiver; enregister; enregistrer; mémoriser; ranger; retenir
plaats toekennen découvrir; déterminer; localiser; placer; trouver
plaatsen appliquer; asseoir; coucher; découvrir; déposer; déterminer; garder; garer; installer; insérer; localiser; mettre; placer; planter; poser; poser qch; poster; préserver; ranger; signaler; situer; stationner; trouver abriter quelqu'un; avoir lieu; construire; dresser; installer; loger; mettre; se dérouler; se situer
posten déposer; mettre; placer; poser; poster; stationner envoyer; envoyer à; expédier; expédier à; mettre à la poste; poster; publier; publier sur; publier sur Facebook; renvoyer; transmettre; émettre
posteren déposer; mettre; placer; poser; poster; stationner
poten placer; planter des pommes de terre implanter; planter
stationeren coucher; déposer; mettre; placer; planter; poser; poster; situer; stationner
wegleggen déposer; garder; installer; mettre; placer; poser qch; préserver; ranger
zetten appliquer; asseoir; coucher; déposer; garer; installer; insérer; mettre; placer; planter; poser; ranger; signaler; situer; stationner

Synoniemen voor "placer":


Wiktionary: placer

placer
verb
  1. op een bepaalde plaats zetten

Cross Translation:
FromToVia
placer plaatsen place — to put in a specific location
placer zetten; plaatsen; leggen; doen; stellen put — to place something somewhere
placer zetten setzenBuchstaben, Zeichen, Wort, Spielkarten, Spielfiguren, Geldbetrag und dergleichen positionieren
placer plaatsen; stellen stellensenkrecht, mit den Fuß den Boden, einen bestimmten Platz oder Gegenstand berührend, in eine bestimmte oder übliche Position bringen

Verwante vertalingen van place