Duits

Uitgebreide synoniemen voor Geselle in het Duits

Geselle:

Geselle [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Geselle
    der Freund; der Kumpel; der Gefährte; der Kamerad; der Genosse; der Geselle; der Macker
    • Freund [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kumpel [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Gefährte [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kamerad [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Genosse [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Geselle [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Macker [der ~] zelfstandig naamwoord
  2. der Geselle
    die Hilfe; der Assistent; der Mitarbeiter; die Aushilfe; der Helfer; der Sekundant; der Geselle; der Gehilfe; die Gehilfin
    • Hilfe [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Assistent [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Mitarbeiter [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Aushilfe [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Helfer [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Sekundant [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Geselle [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Gehilfe [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Gehilfin [die ~] zelfstandig naamwoord
  3. der Geselle
    der Anhänger; der Nachfolger; der Geselle; der Verfolger; der Jünger
  4. der Geselle
    der Mann; der Kerl; Kerlchen; der Bursche; der Bruder; der Geselle
    • Mann [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kerl [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kerlchen [das ~] zelfstandig naamwoord
    • Bursche [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Bruder [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Geselle [der ~] zelfstandig naamwoord
  5. der Geselle
    der Hausdiener; der Geselle; die Gestalt; der Herr; der Mann; der Kerl; der Hecht; der Diener; der Knecht; der Bediente; der Kammerdiener; der Stallknecht
    • Hausdiener [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Geselle [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Gestalt [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Herr [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Mann [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kerl [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Hecht [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Diener [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Knecht [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Bediente [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kammerdiener [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Stallknecht [der ~] zelfstandig naamwoord
  6. der Geselle
    der Freund; der Kumpel; die Gesellin; der Begleiter; der Geselle; der Genosse; der Macker; der Kamerad
    • Freund [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kumpel [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Gesellin [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Begleiter [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Geselle [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Genosse [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Macker [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Kamerad [der ~] zelfstandig naamwoord

Alternatieve synoniemen voor "Geselle":