Overzicht
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. lispeln:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor lispeln (Duits) in het Nederlands

lispeln:

lispeln werkwoord (b, lispelst, lispelt, lispelte, lispeltet, gelispelt)

  1. lispeln (flüstern; raunen; tuscheln; zischeln)
    fluisteren; lispelen; sissen
    • fluisteren werkwoord (fluister, fluistert, fluisterde, fluisterden, gefluisterd)
    • lispelen werkwoord (lispel, lispelt, lispelde, lispelden, gelispeld)
    • sissen werkwoord (sis, sist, siste, sisten, gesist)
  2. lispeln (murmeln; brabbeln)
    mompelen
    – het onverstaanbaar zeggen, binnensmonds 1
    • mompelen werkwoord (mompel, mompelt, mompelde, mompelden, gemompeld)
      • je moet niet mompelen, maar duidelijk praten1
    prevelen
    • prevelen werkwoord (prevel, prevelt, prevelde, prevelden, gepreveld)
  3. lispeln (murmeln; munkeln; quaken; brummeln; brabbeln)
    slissen
    • slissen werkwoord (slis, slist, sliste, slisten, geslist)
  4. lispeln (flüstern; tuscheln; säuseln; munkeln; zischeln)
    fluisteren; smoezen; smiespelen
    • fluisteren werkwoord (fluister, fluistert, fluisterde, fluisterden, gefluisterd)
    • smoezen werkwoord (smoes, smoest, smoesde, smoesden, gesmoesd)
    • smiespelen werkwoord (smiespel, smiespelt, smiespelde, smiespelden, gesmiespeld)

Conjugations for lispeln:

Präsens
  1. b
  2. lispelst
  3. lispelt
  4. lispelen
  5. lispelt
  6. lispelen
Imperfekt
  1. lispelte
  2. lispeltest
  3. lispelte
  4. lispelten
  5. lispeltet
  6. lispelten
Perfekt
  1. habe gelispelt
  2. hast gelispelt
  3. hat gelispelt
  4. haben gelispelt
  5. habt gelispelt
  6. haben gelispelt
1. Konjunktiv [1]
  1. lispele
  2. lispelest
  3. lispele
  4. lispelen
  5. lispelet
  6. lispelen
2. Konjunktiv
  1. lispelte
  2. lispeltest
  3. lispelte
  4. lispelten
  5. lispeltet
  6. lispelten
Futur 1
  1. werde lispeln
  2. wirst lispeln
  3. wird lispeln
  4. werden lispeln
  5. werdet lispeln
  6. werden lispeln
1. Konjunktiv [2]
  1. würde lispeln
  2. würdest lispeln
  3. würde lispeln
  4. würden lispeln
  5. würdet lispeln
  6. würden lispeln
Diverses
  1. lispel!
  2. lispelt!
  3. lispelen Sie!
  4. gelispelt
  5. lispelnd
1. ich, 2. du, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr, 6. sie/Sie

Vertaal Matrix voor lispeln:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
smoezen Ausflüchte; Vorwände
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fluisteren flüstern; lispeln; munkeln; raunen; säuseln; tuscheln; zischeln
lispelen flüstern; lispeln; raunen; tuscheln; zischeln
mompelen brabbeln; lispeln; murmeln brabbeln
prevelen brabbeln; lispeln; murmeln
sissen flüstern; lispeln; raunen; tuscheln; zischeln
slissen brabbeln; brummeln; lispeln; munkeln; murmeln; quaken
smiespelen flüstern; lispeln; munkeln; säuseln; tuscheln; zischeln
smoezen flüstern; lispeln; munkeln; säuseln; tuscheln; zischeln

Wiktionary: lispeln

lispeln
verb
  1. foutieve uitspraak van de letter s

Cross Translation:
FromToVia
lispeln slissen lisp — to pronounce the sibilant letter ‘s’ imperfectly