Overzicht
Duits naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. Lehrling:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Lehrling (Duits) in het Zweeds

Lehrling:

Lehrling [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Lehrling (Schüler; Schülerin)
    lärjunge; sudent; elev; pupill
    • lärjunge [-en] zelfstandig naamwoord
    • sudent zelfstandig naamwoord
    • elev [-en] zelfstandig naamwoord
    • pupill [-en] zelfstandig naamwoord
  2. der Lehrling (Auszubildende; Lehrjunge)
    lärling; lärgosse
  3. der Lehrling (Lehrjunge)
    elev; lärling
    • elev [-en] zelfstandig naamwoord
    • lärling [-en] zelfstandig naamwoord
  4. der Lehrling

Vertaal Matrix voor Lehrling:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
biträdande tjänsteman Lehrling
elev Lehrjunge; Lehrling; Schüler; Schülerin Schüler; Schülerin; Studentin; Volontär
lärgosse Auszubildende; Lehrjunge; Lehrling
lärjunge Lehrling; Schüler; Schülerin Anhänger; Geselle; Jünger; Nachfolger; Verfolger
lärling Auszubildende; Lehrjunge; Lehrling Auszubildender; Volontär
pupill Lehrling; Schüler; Schülerin
sudent Lehrling; Schüler; Schülerin

Synoniemen voor "Lehrling":


Wiktionary: Lehrling

Lehrling
noun
  1. Person, die in eine Lehre absolviert, einen Beruf erlernt

Cross Translation:
FromToVia
Lehrling lärling apprentice — trainee, especially in a skilled trade

Computer vertaling door derden:

Verwante vertalingen van Lehrling