Overzicht
Duits naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. Panne:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Panne (Duits) in het Zweeds

Panne:

Panne [die ~] zelfstandig naamwoord

  1. die Panne
    gå sönder; bryta ner

Vertaal Matrix voor Panne:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bryta ner Panne
gå sönder Panne
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bryta ner abbrechen; abknacken; brechen; knacken; knicken; verwesen; zerbrechen
gå sönder aufbrechen; beschädigen; brechen; entzwei gehen; entzwei reißen; kaputtgehen; kaputtmachen; knacken; zerbrechen
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gå sönder in die Brüche; kaputt

Synoniemen voor "Panne":


Wiktionary: Panne

Panne
noun
  1. (umgangssprachlich) Missgeschick, Fehlverhalten; ungewöhnliche, abartige, unpassende geistige Leistung
  2. plötzlich eintretender Schaden: Nichtfunktionieren von Technik, insbesondere Fahrzeugtechnik