Overzicht
Duits naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. Ruptur:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Ruptur (Duits) in het Zweeds

Ruptur:

Ruptur [die ~] zelfstandig naamwoord

  1. die Ruptur (Spaltung; Schisma)
    spricka; ruptur
    • spricka [-en] zelfstandig naamwoord
    • ruptur zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor Ruptur:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ruptur Ruptur; Schisma; Spaltung
spricka Ruptur; Schisma; Spaltung Aussparung; Bruch; Ermangelung; Felsspalte; Hinfälligkeit; Kluft; Koryphäe; Kränklichkeit; Mangel; Manko; Riß; Schwachheit; Schwäche; Spalt; Spalte; Sprung; Zwischenraum
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
spricka aufhacken; bersten; dekodieren; ein krackendes Gelaut machen; entschlüsseln; entziffern; explodieren; platzen; spleißen; splissen; zerhacken; zerspringen

Synoniemen voor "Ruptur":