Engels

Uitgebreide vertaling voor station (Engels) in het Nederlands

station:

station [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the station (railway station; depot; railroad station; )
    – terminal where trains load or unload passengers or goods 1
    het station
    • station [het ~] zelfstandig naamwoord
  2. the station (standing-place; post)
    standoord

to station werkwoord (stations, stationed, stationing)

  1. to station (deposit; lay; place; )
    leggen; plaatsen; zetten; deponeren; neerleggen; stationeren; neerzetten
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • neerleggen werkwoord (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • stationeren werkwoord (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • neerzetten werkwoord (zet neer, zette neer, zetten neer, neergezet)
  2. to station
    plaatsen; stationeren; posten; posteren
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • stationeren werkwoord (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • posten werkwoord (post, postte, postten, gepost)
    • posteren werkwoord (posteer, posteert, posteerde, posteerden, geposteerd)
  3. to station (offer someone lodges; place; accomodate someone; )
    onderdak verschaffen; plaatsen; huisvesten; herbergen; onderbrengen; onderdak geven; iemand onderdak verlenen
    • onderdak verschaffen werkwoord (verschaf onderdak, verschaft onderdak, verschafte onderdak, verschaften onderdak, onderdak verschaft)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • huisvesten werkwoord (huisvest, huisvestte, huisvestten, gehuisvest)
    • herbergen werkwoord (herberg, herbergt, herbergde, herbergden, geherbergd)
    • onderbrengen werkwoord (breng onder, brengt onder, bracht onder, brachten onder, ondergebracht)
    • onderdak geven werkwoord (geef onderdak, geeft onderdak, gaf onderdak, gaven onderdak, onderdak gegeven)
  4. to station (situate; place; locate; )
    situeren; plaatsen; zich afspelen
    • situeren werkwoord (situeer, situeert, situeerde, situeerden, gesitueerd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • zich afspelen werkwoord

Conjugations for station:

present
  1. station
  2. station
  3. stations
  4. station
  5. station
  6. station
simple past
  1. stationed
  2. stationed
  3. stationed
  4. stationed
  5. stationed
  6. stationed
present perfect
  1. have stationed
  2. have stationed
  3. has stationed
  4. have stationed
  5. have stationed
  6. have stationed
past continuous
  1. was stationing
  2. were stationing
  3. was stationing
  4. were stationing
  5. were stationing
  6. were stationing
future
  1. shall station
  2. will station
  3. will station
  4. shall station
  5. will station
  6. will station
continuous present
  1. am stationing
  2. are stationing
  3. is stationing
  4. are stationing
  5. are stationing
  6. are stationing
subjunctive
  1. be stationed
  2. be stationed
  3. be stationed
  4. be stationed
  5. be stationed
  6. be stationed
diverse
  1. station!
  2. let's station!
  3. stationed
  4. stationing
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor station:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
leggen laying work aside; laying work down
neerleggen putting down; shooting down; shooting to death
neerzetten putting down
posten mailing; posting
standoord post; standing-place; station
station depot; railroad station; railroad terminal; railway station; station; train depot; train station drive
zetten composing; composing work; mounting; placing; printing work; setting; type setting
- place; post
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
deponeren deposit; lay; laydown; place; put down; set; set down; situate; station deposit; lay; lay up; place; placing; put; put down; put up; remit; secure; stock; store
herbergen accomodate someone; board; lodge; offer someone lodges; place; shelter; station accommodate; house; lodge; shelter; take in to the house
huisvesten accomodate someone; board; lodge; offer someone lodges; place; shelter; station accommodate; house; lodge; shelter; take in to the house
iemand onderdak verlenen accomodate someone; board; lodge; offer someone lodges; place; shelter; station
leggen deposit; lay; laydown; place; put down; set; set down; situate; station lay; place; put; put down
neerleggen deposit; lay; laydown; place; put down; set; set down; situate; station bring down; deposit; lay; place; placing; put; put down; take down
neerzetten deposit; lay; laydown; place; put down; set; set down; situate; station add; locate; place; put; put down; situate
onderbrengen accomodate someone; board; lodge; offer someone lodges; place; shelter; station accommodate; house; lodge; shelter; take in to the house
onderdak geven accomodate someone; board; lodge; offer someone lodges; place; shelter; station accommodate; house; lodge; shelter; take in to the house
onderdak verschaffen accomodate someone; board; lodge; offer someone lodges; place; shelter; station accommodate; house; lodge; shelter; take in to the house
plaatsen accomodate someone; board; deposit; lay; laydown; locate; lodge; offer someone lodges; place; post; put; put down; set; set down; shelter; situate; station add; allocate; assemble; construct; fit; instal; install; lay; locate; place; position; put; put down; set up; situate
posten station forward; mail; post; remit; send; send to
posteren station
situeren locate; place; post; put; set; situate; station
stationeren deposit; lay; laydown; place; put down; set; set down; situate; station
zetten deposit; lay; laydown; place; put down; set; set down; situate; station add; lay; locate; place; position; put; put down; situate
zich afspelen locate; place; post; put; set; situate; station
- place; post; send

Verwante woorden van "station":

  • stationing

Synoniemen voor "station":


Verwante definities voor "station":

  1. a facility equipped with special equipment and personnel for a particular purpose1
    • he started looking for a gas station1
    • the train pulled into the station1
  2. the frequency assigned to a broadcasting station1
  3. the position where someone (as a guard or sentry) stands or is assigned to stand1
    • a sentry station1
  4. (nautical) the location to which a ship or fleet is assigned for duty1
  5. proper or designated social situation1
    • the responsibilities of a man in his station1
    • married above her station1
  6. assign to a station1

Wiktionary: station

station
noun
  1. place where a vehicle may stop

Cross Translation:
FromToVia
station ambt; baan; betrekking; werkkring; plaats; post; wachtpost; werkgelegenheid emploiusage qu’on fait de quelque chose.
station stationsgebouw gare — (vieilli) marine|fr tronçon de voie fluviale aménagée pour faciliter la circulation et la protection des navire.
station parkeren garer — stationner

Verwante vertalingen van station



Nederlands

Uitgebreide vertaling voor station (Nederlands) in het Engels

station:

station [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het station
    the railway station; the station; the railroad terminal; the train depot; the railroad station; the train station
    – terminal where trains load or unload passengers or goods 1
    the depot
    – station where transport vehicles load or unload passengers or goods 1
    • depot [the ~] zelfstandig naamwoord
  2. het station
    the drive
    – An area of storage that is formatted with a file system and has a drive letter. The storage can be a floppy disk, a CD or DVD, a hard disk, or another type of disk. 2
    • drive [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor station:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
depot station bergplaats; depot; geweermagazijn; magazijn; opslag; opslagplaats; opslagruimte; pakhuis; provisiekast; voorraadschuur; warenhuis
drive station aandrift; aandrijving; autorijden; daadkracht; dagreis; diskettestation; drift; drijfjacht; dynamiek; energie; esprit; excursie; fut; gang; heenrit; impuls; inrit; instinct; klopjacht; kracht; momentum; motor; oprijlaan; oprit; prikkel; puf; reis; rijden; rijtochtje; rijtoer; rit; schijfstation; stimulans; stuwkracht; tocht; tochtje; toer; toertje; tournee; trip; uitje; uitstapje; voortstuwing; werklust
railroad station station
railroad terminal station
railway station station spoorwegstation
station station standoord
train depot station
train station station
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
drive aan het stuur zitten; aandrijven; aansporen; aanzetten; berijden; een paard mennen; heien; karren; mennen; opkrikken; opwekken; opzwepen; prikkelen; rijden; sterk prikkelen; stimuleren; sturen; zenden
station deponeren; herbergen; huisvesten; iemand onderdak verlenen; leggen; neerleggen; neerzetten; onderbrengen; onderdak geven; onderdak verschaffen; plaatsen; posten; posteren; situeren; stationeren; zetten; zich afspelen

Verwante woorden van "station":


Verwante definities voor "station":

  1. plaats met praktisch of wetenschappelijk doel3
    • bij een benzinestation kun je tanken3
  2. plaats waar je in en uit de trein kunt stappen3
    • de trein vertrekt om negen uur vanaf het station3

Wiktionary: station

station
noun
  1. place where a vehicle may stop

Cross Translation:
FromToVia
station train station; railroad station; railway station Bahnhofin Deutschland: Bahnanlage, die über mindestens eine Weiche verfügt und an der Züge beginnen, enden, halten, ausweichen oder wenden dürfen