Overzicht
Engels naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. bandage:
  2. Wiktionary:
Zweeds naar Engels:   Meer gegevens...
  1. bandage:
  2. Wiktionary:


Engels

Uitgebreide vertaling voor bandage (Engels) in het Zweeds

bandage:

bandage [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the bandage (ligature; swathe)
    bandage; bindel
    • bandage [-ett] zelfstandig naamwoord
    • bindel [-en] zelfstandig naamwoord
  2. the bandage (mitella; sling)
    mitella; omslag; bandage
    • mitella zelfstandig naamwoord
    • omslag [-ett] zelfstandig naamwoord
    • bandage [-ett] zelfstandig naamwoord
  3. the bandage
    binda; bandage; bindel
    • binda [-en] zelfstandig naamwoord
    • bandage [-ett] zelfstandig naamwoord
    • bindel [-en] zelfstandig naamwoord
  4. the bandage (swathing-band; swathe; swaddling bands)
    barnlindor

to bandage werkwoord (bandages, bandaged, bandaging)

  1. to bandage (swathe)
    binda om; förbinda; insvepa; linda om
    • binda om werkwoord (binder om, band om, bundit om)
    • förbinda werkwoord (förbinder, förband, förbundit)
    • insvepa werkwoord (insvepar, insvepade, insvepat)
    • linda om werkwoord (lindar om, lindade om, lindat om)

Conjugations for bandage:

present
  1. bandage
  2. bandage
  3. bandages
  4. bandage
  5. bandage
  6. bandage
simple past
  1. bandaged
  2. bandaged
  3. bandaged
  4. bandaged
  5. bandaged
  6. bandaged
present perfect
  1. have bandaged
  2. have bandaged
  3. has bandaged
  4. have bandaged
  5. have bandaged
  6. have bandaged
past continuous
  1. was bandaging
  2. were bandaging
  3. was bandaging
  4. were bandaging
  5. were bandaging
  6. were bandaging
future
  1. shall bandage
  2. will bandage
  3. will bandage
  4. shall bandage
  5. will bandage
  6. will bandage
continuous present
  1. am bandaging
  2. are bandaging
  3. is bandaging
  4. are bandaging
  5. are bandaging
  6. are bandaging
subjunctive
  1. be bandaged
  2. be bandaged
  3. be bandaged
  4. be bandaged
  5. be bandaged
  6. be bandaged
diverse
  1. bandage!
  2. let's bandage!
  3. bandaged
  4. bandaging
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

bandage

  1. bandage

Vertaal Matrix voor bandage:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bandage bandage; ligature; mitella; sling; swathe bandages; dressings
barnlindor bandage; swaddling bands; swathe; swathing-band
binda bandage sanitary napkin; sanitary towel
bindel bandage; ligature; swathe
förbinda joining; linking
mitella bandage; mitella; sling
omslag bandage; mitella; sling album art; cover; jacket; packaging; record sleeve; shell; shifting; sleeve; slip case; slip cover; sorting; wrapper; wrapping
- patch
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
binda attach; bind; bind together; button; button up; fasten; fasten to a rope; fix; join; knot; lash; moor; tie; tie down; tie on; tie together; tie up
binda om bandage; swathe bind round; tie on
förbinda bandage; swathe alliate; attach; connect; couple; fasten; hitch on to; hook on to; hook together; link; make a match; pander
insvepa bandage; swathe begin; engage; initiate; operationalize
linda om bandage; swathe
- bind
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
bindel bandage

Verwante woorden van "bandage":


Synoniemen voor "bandage":


Verwante definities voor "bandage":

  1. a piece of soft material that covers and protects an injured part of the body1
  2. dress by covering or binding1
    • The nurse bandaged a sprained ankle1
    • bandage an incision1
  3. wrap around with something so as to cover or enclose1

Wiktionary: bandage

bandage
verb
  1. to apply a bandage to something
noun
  1. medical binding

Cross Translation:
FromToVia
bandage binda; förband Fatscheösterreichisch, umgangssprachlich, regional: Verband oder Binde; Fasche
bandage bandagera bandagieren — (transitiv) mit Bandagen umwickeln; eine Bandage anlegen
bandage bandage; förband bandagebande dont on serre, entoure ou enveloppe une partie du corps d’un homme ou d’un animal (chien, chat, etc.) malade ou blessé.
bandage förbinda; rykta panser — Soigner une plaie, une blessure, lui faire un pansement.

Verwante vertalingen van bandage



Zweeds

Uitgebreide vertaling voor bandage (Zweeds) in het Engels

bandage:

bandage [-ett] zelfstandig naamwoord

  1. bandage (bindel)
    the bandage; the ligature; the swathe
    • bandage [the ~] zelfstandig naamwoord
    • ligature [the ~] zelfstandig naamwoord
    • swathe [the ~] zelfstandig naamwoord
  2. bandage (förband)
    the bandages; the dressings
  3. bandage (binda; bindel)
    the bandage
    • bandage [the ~] zelfstandig naamwoord
  4. bandage
    the bandages
    • bandages [the ~] zelfstandig naamwoord
  5. bandage (mitella; omslag)
    the mitella; the sling; the bandage
    • mitella [the ~] zelfstandig naamwoord
    • sling [the ~] zelfstandig naamwoord
    • bandage [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor bandage:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bandage bandage; binda; bindel; mitella; omslag barnlindor
bandages bandage; förband
dressings bandage; förband dressingar; sårförband; såser
ligature bandage; bindel fog; ligatur; skarv; underbildning
mitella bandage; mitella; omslag
sling bandage; mitella; omslag
swathe bandage; bindel barnlindor
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bandage binda om; förbinda; insvepa; linda om
swathe binda om; dölja; förbinda; insvepa; kamouflera; linda om; skyla
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
bandage bindel

Synoniemen voor "bandage":


Wiktionary: bandage

bandage
noun
  1. medical binding

Cross Translation:
FromToVia
bandage bandage; swathe bandagebande dont on serre, entoure ou enveloppe une partie du corps d’un homme ou d’un animal (chien, chat, etc.) malade ou blessé.