Overzicht
Engels naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. tart:
  2. Wiktionary:
Zweeds naar Engels:   Meer gegevens...
  1. tärt:


Engels

Uitgebreide vertaling voor tart (Engels) in het Zweeds

tart:

tart [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the tart
    fnask
    • fnask [-ett] zelfstandig naamwoord !
  2. the tart (prostitute; light woman)
    hora
    • hora [-en] zelfstandig naamwoord !
  3. the tart (pie; pastry; cake)
    paj
    • paj [-en] zelfstandig naamwoord
  4. the tart (bitch; witch)
    subba; kärringjävel

Vertaal Matrix voor tart:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fnask tart
hora light woman; prostitute; tart bitch; prostitute; strumpet; whore
kärringjävel bitch; tart; witch
paj cake; pastry; pie; tart pie
subba bitch; tart; witch
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- lemonlike; lemony; sharp; sharp-worded; sourish; tangy

Verwante woorden van "tart":

  • tartness, tarts, tarter, tartest, tartly

Synoniemen voor "tart":


Verwante definities voor "tart":

  1. harsh1
    • a tart remark1
  2. tasting sour like a lemon1
  3. a pastry cup with a filling of fruit or custard and no top crust1
  4. a small open pie with a fruit filling1

Wiktionary: tart

tart
adjective
  1. with sharp taste, sour
noun
  1. prostitute
  2. woman with loose sexual morals

Cross Translation:
FromToVia
tart hora; fnask Nutte — abwertend für Prostituierte; eine Frau, die für Geld sexuelle Handlungen vornimmt
tart amper; egg; gräll; gäll; skarp aigre — Qui a une saveur acide et amère provoquant un sentiment désagréable.

Verwante vertalingen van tart



Zweeds

Uitgebreide vertaling voor tart (Zweeds) in het Engels

tärt:

tärt bijvoeglijk naamwoord

  1. tärt (sliten; trött; slitet; medtaget; tärd)
    worn
    • worn bijvoeglijk naamwoord

Vertaal Matrix voor tärt:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
worn medtaget; sliten; slitet; trött; tärd; tärt använt; buren; buret; sliten; slitet; utsliten; utslitet
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
worn avnött; avtärd; avtärt; nedgången; nedgånget