Spaans

Uitgebreide vertaling voor asaltar (Spaans) in het Nederlands

asaltar:

asaltar werkwoord

  1. asaltar (asediar; atacar; agredir)
    belegeren
    • belegeren werkwoord (beleger, belegert, belegerde, belegerden, belegerd)
  2. asaltar (acometer; sorprender; atracar)
    verrassen; iemand overvallen met iets
  3. asaltar (atacar; agredir; acometer)
    aanvallen; attaqueren; overvallen; bestormen
    • aanvallen werkwoord (val aan, valt aan, viel aan, vielen aan, aangevallen)
    • attaqueren werkwoord (attaqueer, attaqueert, attaqueerde, attaqueerden, geattaqueerd)
    • overvallen werkwoord (overval, overvalt, overviel, overvielen, overvallen)
    • bestormen werkwoord (bestorm, bestormt, bestormde, bestormden, bestormd)
  4. asaltar (arremeter)
  5. asaltar (llevar adelante; atacar; forzar; )
    doordrijven
    • doordrijven werkwoord (drijf door, drijft door, dreef door, dreven door, doorgedreven)
  6. asaltar (quebrantar; avanzar; imponer; )
  7. asaltar (tomar desprevenido; sorprender; atracar; coger de sorpresa; acometer)
    overvallen; overrompelen
    • overvallen werkwoord (overval, overvalt, overviel, overvielen, overvallen)
    • overrompelen werkwoord (overrompel, overrompelt, overrompelde, overrompelden, overrompeld)
  8. asaltar (robar; privar; quitar; pillar; privar de)
    roven; beroven
    • roven werkwoord (roof, rooft, roofde, roofden, geroofd)
    • beroven werkwoord (beroof, berooft, beroofde, beroofden, beroven)
  9. asaltar (atentar; violar)
  10. asaltar (presentarse de sorpresa)
    binnenspringen
    • binnenspringen werkwoord (spring binnen, springt binnen, sprong binnen, sprongen binnen, binnengesprongen)

Conjugations for asaltar:

presente
  1. asalto
  2. asaltas
  3. asalta
  4. asaltamos
  5. asaltáis
  6. asaltan
imperfecto
  1. asaltaba
  2. asaltabas
  3. asaltaba
  4. asaltábamos
  5. asaltabais
  6. asaltaban
indefinido
  1. asalté
  2. asaltaste
  3. asaltó
  4. asaltamos
  5. asaltasteis
  6. asaltaron
fut. de ind.
  1. asaltaré
  2. asaltarás
  3. asaltará
  4. asaltaremos
  5. asaltaréis
  6. asaltarán
condic.
  1. asaltaría
  2. asaltarías
  3. asaltaría
  4. asaltaríamos
  5. asaltaríais
  6. asaltarían
pres. de subj.
  1. que asalte
  2. que asaltes
  3. que asalte
  4. que asaltemos
  5. que asaltéis
  6. que asalten
imp. de subj.
  1. que asaltara
  2. que asaltaras
  3. que asaltara
  4. que asaltáramos
  5. que asaltarais
  6. que asaltaran
miscelánea
  1. ¡asalta!
  2. ¡asaltad!
  3. ¡no asaltes!
  4. ¡no asaltéis!
  5. asaltado
  6. asaltando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor asaltar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanvallen acometer; atacar; ataques; ataques de apoplejía
attaqueren acometer; atacar
roven costras
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanvallen acometer; agredir; asaltar; atacar
afstormen op arremeter; asaltar
attaqueren acometer; agredir; asaltar; atacar
belegeren agredir; asaltar; asediar; atacar
beroven asaltar; pillar; privar; privar de; quitar; robar abusar de; aprovecharse de; cometer un robo con fractura; entrar por fuerza; escalar; robar
bestormen acometer; agredir; asaltar; atacar abrumar; colmar de; cubrir de
binnenspringen asaltar; presentarse de sorpresa
doordrijven acometer; agraviar; arrebatar; asaltar; asediar; atacar; atracar; avanzar; disponer; endilgar; forzar; forzarse; inculcar; infringir; llevar adelante; machacar; mandar; transgredir
geweld gebruiken agraviar; arrebatar; asaltar; asediar; atacar; atracar; avanzar; forzar; imponer; infringir; quebrantar; violar
iemand overvallen met iets acometer; asaltar; atracar; sorprender
overrompelen acometer; asaltar; atracar; coger de sorpresa; sorprender; tomar desprevenido
overvallen acometer; agredir; asaltar; atacar; atracar; coger de sorpresa; sorprender; tomar desprevenido
roven asaltar; pillar; privar; privar de; quitar; robar coger; desvalijar; hurtqr; pillar; quitar; robar; saquear
verrassen acometer; asaltar; atracar; sorprender coger; sorprender
zich aan iemand vergrijpen asaltar; atentar; violar
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
overvallen ocurrido

Synoniemen voor "asaltar":


Wiktionary: asaltar

asaltar
verb
  1. aantasten
  2. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
  3. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
  4. bij verrassing iemand belagen of overweldigen

Cross Translation:
FromToVia
asaltar vergrijpen; aanranden assault — to attack, threaten or harass
asaltar beroven; bestelen rob — to steal from, using violence
asaltar bestorming storm — military: violent assault on a stronghold
asaltar aangrijpen; aantasten; aanvallen; tackelen; attaqueren; aanranden assaillir — propre|fr (figuré) attaquer vivement par surprise.