Spaans

Uitgebreide vertaling voor aflojarse (Spaans) in het Nederlands

aflojarse:

aflojarse werkwoord

  1. aflojarse (hundirse; doblarse)
    doorzakken; doorbuigen
    • doorzakken werkwoord (zak door, zakt door, zakte door, zakten door, doorgezakt)
    • doorbuigen werkwoord (buig door, buigt door, boog door, bogen door, doorgebogen)
  2. aflojarse (perder fuerza; debilitarse; debilitar)
    verzwakken; uitputten; verslappen; zwakker worden; aan kracht inboeten; zwak worden
    • verzwakken werkwoord (verzwak, verzwakt, verzwakte, verzwakten, verzwakt)
    • uitputten werkwoord (put uit, putte uit, putten uit, uitgeput)
    • verslappen werkwoord (verslap, verslapt, verslapte, verslapten, verslapt)
    • zwakker worden werkwoord
    • aan kracht inboeten werkwoord (boet aan kracht in, boette aan kracht in, boetten aan kracht in, aan kracht ingeboet)
    • zwak worden werkwoord

Conjugations for aflojarse:

presente
  1. me aflojo
  2. te aflojas
  3. se afloja
  4. nos aflojamos
  5. os aflojáis
  6. se aflojan
imperfecto
  1. me aflojaba
  2. te aflojabas
  3. se aflojaba
  4. nos aflojábamos
  5. os aflojabais
  6. se aflojaban
indefinido
  1. me aflojé
  2. te aflojaste
  3. se aflojó
  4. nos aflojamos
  5. os aflojasteis
  6. se aflojaron
fut. de ind.
  1. me aflojaré
  2. te aflojarás
  3. se aflojará
  4. nos aflojaremos
  5. os aflojaréis
  6. se aflojarán
condic.
  1. me aflojaría
  2. te aflojarías
  3. se aflojaría
  4. nos aflojaríamos
  5. os aflojaríais
  6. se aflojarían
pres. de subj.
  1. que me afloje
  2. que te aflojes
  3. que se afloje
  4. que nos aflojemos
  5. que os aflojéis
  6. que se aflojen
imp. de subj.
  1. que me aflojara
  2. que te aflojaras
  3. que se aflojara
  4. que nos aflojáramos
  5. que os aflojarais
  6. que se aflojaran
miscelánea
  1. ¡aflojate!
  2. ¡aflojaos!
  3. ¡no te aflojes!
  4. ¡no os aflojéis!
  5. aflojado
  6. aflojándose
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor aflojarse:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
uitputten cansar; fatigar
verslappen debilitación
verzwakken debilitación
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aan kracht inboeten aflojarse; debilitar; debilitarse; perder fuerza
doorbuigen aflojarse; doblarse; hundirse
doorzakken aflojarse; doblarse; hundirse
uitputten aflojarse; debilitar; debilitarse; perder fuerza aflojar; agotar; cansar; consumirse; morir de sed
verslappen aflojarse; debilitar; debilitarse; perder fuerza aflojar; debilitarse; entibiar
verzwakken aflojarse; debilitar; debilitarse; perder fuerza debilitar; debilitarse
zwak worden aflojarse; debilitar; debilitarse; perder fuerza
zwakker worden aflojarse; debilitar; debilitarse; perder fuerza