Spaans

Uitgebreide vertaling voor familiar (Spaans) in het Nederlands

familiar:

familiar bijvoeglijk naamwoord

  1. familiar (conocido; abonado; confianzudo)
    bekend; vertrouwd
  2. familiar (informal; confianzudo)
    familiair; makkelijk in de omgang
  3. familiar (informal; confianzudo)
    familiair; tutoyerend
  4. familiar (íntimo; cariñoso; confidencial; entrañable; sincero)
    intiem; vertrouwelijk
  5. familiar (de igual a igual)
    gemeenzaam
  6. familiar (confortable; cómodo; doméstico; íntimo; confortablemente)
    aangenaam; behaaglijk; knus

familiar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el familiar (miembro de la familia)
    het familielid; het gezinslid

Vertaal Matrix voor familiar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
familielid familiar; miembro de la familia consanguíneo; miembro de la familia; pariente
gezinslid familiar; miembro de la familia miembro de la familia
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aangenaam confortable; confortablemente; cómodo; doméstico; familiar; íntimo acogedor; agradable; amable; ameno; amigable; asiduo; atento; beneficioso; bien; bondadoso; bonito; bueno; caliente; caluroso; complaciente; confortable; conveniente; cordial; cálido; cómo está usted; cómodo; de mucho ambiente; dispuesto a ayudar; divertido; encantado; entretenido; grato; placentero; simpático; sociable; tratable
behaaglijk confortable; confortablemente; cómodo; doméstico; familiar; íntimo agradable; bien; confortable; cómodo; grato; placentero
bekend abonado; confianzudo; conocido; familiar
familiair confianzudo; familiar; informal
gemeenzaam de igual a igual; familiar
intiem cariñoso; confidencial; entrañable; familiar; sincero; íntimo
knus confortable; confortablemente; cómodo; doméstico; familiar; íntimo acogedor; cómodo; hogareño
vertrouwd abonado; confianzudo; conocido; familiar
vertrouwelijk cariñoso; confidencial; entrañable; familiar; sincero; íntimo confidencial; íntimo
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
makkelijk in de omgang confianzudo; familiar; informal
tutoyerend confianzudo; familiar; informal

Verwante woorden van "familiar":


Synoniemen voor "familiar":


Wiktionary: familiar

familiar
noun
  1. familielid met dezelfde voorouders
  2. persoon beschouwd in zijn verhouding tot degenen met wie hij een familie uitmaakt
adjective
  1. informeel

Cross Translation:
FromToVia
familiar gemeenzaam; idiomatisch; informeel colloquial — of oral communication language
familiar geleidegeest; geleidedier familiar — attendant spirit

Computer vertaling door derden:

Verwante vertalingen van familiar