Overzicht
Spaans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. fisura:


Spaans

Uitgebreide vertaling voor fisura (Spaans) in het Nederlands

fisura:

fisura [la ~] zelfstandig naamwoord

  1. la fisura (espacio intermedio; abismo; abertura; )
    de kloof; de tussenruimte; de uitsparing; de spleet; de opening
    • kloof [de ~] zelfstandig naamwoord
    • tussenruimte [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • uitsparing [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • spleet [de ~] zelfstandig naamwoord
    • opening [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor fisura:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
kloof abertura; abismo; barranco; espacio; espacio intermedio; fisura; grieta; hendidura; intervalo; precipicio; quebrada alejamiento; barranco; canal; distancia; entalladura; escopladura; garganta; hendidura; intersticio; muesca; precipicio; quebrada; ranura; rendija; resquicio; surco; zanja
opening abertura; abismo; barranco; espacio; espacio intermedio; fisura; grieta; hendidura; intervalo; precipicio; quebrada abertura; acequia; arruga; boquete; brecha; canal; canaladura; canalizo; comienzo; corredera; cuca; entalladura; escopladura; grieta; hendidura; inicio; marco de la puerta; muesca; principio; raja; ranura; regadera; rendija; roza; surco; vano; zanja
spleet abertura; abismo; barranco; espacio; espacio intermedio; fisura; grieta; hendidura; intervalo; precipicio; quebrada
tussenruimte abertura; abismo; barranco; espacio; espacio intermedio; fisura; grieta; hendidura; intervalo; precipicio; quebrada
uitsparing abertura; abismo; barranco; espacio; espacio intermedio; fisura; grieta; hendidura; intervalo; precipicio; quebrada entalladura; escopladura; muesca

Verwante woorden van "fisura":


Synoniemen voor "fisura":