Spaans

Uitgebreide vertaling voor mata (Spaans) in het Nederlands

mata:

mata [la ~] zelfstandig naamwoord

  1. la mata (macolla; manita)
    de pol
    • pol [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. la mata (arbusto)
    het struweel; het struikgewas; de struiken

Vertaal Matrix voor mata:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
pol macolla; manita; mata
struiken arbusto; mata arbustos
struikgewas arbusto; mata cultivo de árboles en forma de arbusto
struweel arbusto; mata

Verwante woorden van "mata":


Synoniemen voor "mata":


Wiktionary: mata

mata
noun
  1. plantkunde|nld laaggroeiende, boomachtige struik, (een houtige plant zonder uitgesproken stam)
  2. plantkunde|nld species|Pistacia lentiscus

Cross Translation:
FromToVia
mata mastaka; mastiekboom mastic — the shrub or tree Pistacia lentiscus
mata plant; gewas plant — organism capable of photosynthesis
mata struik; heester shrub — woody plant
mata boompje; heester arbrisseau — Petit arbre ; végétal ligneux dont la tige se diviser en rameaux dès sa base.
mata struik; bosje buissontouffe d’arbustes sauvages.
mata kreupelhout fourréendroit d’un bois, d’une forêt, etc., où il y a un assemblage épais d’arbrisseaux, d’arbustes, de broussailles. — note On dit : le fourré d’un bois, ou, absolument, le fourré.

mate:

mate bijvoeglijk naamwoord

  1. mate (apagado; sin brillo)
    mat; dof; flets; niet helder
    • mat bijvoeglijk naamwoord
    • dof bijvoeglijk naamwoord
    • flets bijvoeglijk naamwoord
    • niet helder bijvoeglijk naamwoord
  2. mate (sin brillo; pálido)
    mat; flets
    • mat bijvoeglijk naamwoord
    • flets bijvoeglijk naamwoord
  3. mate (apagado)
    mat; dof; glansloos; beslagen
    • mat bijvoeglijk naamwoord
    • dof bijvoeglijk naamwoord
    • glansloos bijvoeglijk naamwoord
    • beslagen bijvoeglijk naamwoord
  4. mate (pálido; sin brillo; apagado; descolorido; deslustrado)
    bleek; flets; kleurloos

Vertaal Matrix voor mate:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beslagen herrajes
mat campo; césped; estera; esterilla; felpudo; mantelito
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beslagen apagado; mate
bleek apagado; descolorido; deslustrado; mate; pálido; sin brillo agotado; blanco; caduco; canoso; claro; descolorido; desgastado; deslucido; desmudado; desteñido; difuso; débil; enfermizo; flojo; gastado; gris; incoloro; lejano; lánguido; lívido; manoseado; mustio; muy usado; pardo; plomizo; pálido; sin color; soso; tenue; vago
dof apagado; mate; sin brillo atontado; aturdido; soso; soñoliento
flets apagado; descolorido; deslustrado; mate; pálido; sin brillo agotado; blanco; caduco; canoso; descolorido; desgastado; deslucido; desmudado; desteñido; difuso; débil; enfermizo; flojo; gastado; gris; incoloro; lejano; lánguido; lívido; manoseado; mustio; pardo; plomizo; pálido; sin color; soso; tenue; vago
glansloos apagado; mate
kleurloos apagado; descolorido; deslustrado; mate; pálido; sin brillo incoloro; sin color
mat apagado; mate; pálido; sin brillo abatido; apagado; atontado; aturdido; blando; bochornoso; desanimado; flojo; fláccido; laso; lánguidamente; lánguido; no exuberante; opaco; perezoso; sin ganas de nada; soso; soñoliento
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
niet helder apagado; mate; sin brillo amortiguado; confuso; cuestionable; defectuoso; dudoso; espinoso; impreciso; impuro; incalculable; incierto; indeciso; indefinido; indeterminado; inestable; infinito; inseguro; misterioso; no claro; no seguro; tenebroso; turbio; vacilante; vago

Verwante woorden van "mate":


Synoniemen voor "mate":


Wiktionary: mate

mate
adjective
  1. zonder weerschijn

Cross Translation:
FromToVia
mate schaakmat; mat checkmate — conclusive victory in a game of chess
mate mat dull — not shiny
mate dof lackluster — Having no shine or lustre; dull
mate wiskunde maths — short form of mathematics
mate mat matte — not reflective of light
mate schaakmat schachmattbeim Schach: unfähig, dem Verlust des unmittelbar angegriffenen Königs beim Schachspiel entgegenzuwirken, und damit die Partie verlierend

matar:

matar werkwoord

  1. matar (dar muerte a; terminar; realizar; )
    doden; vermoorden; liquideren; van kant maken; doodmaken; afmaken; doodslaan; ombrengen
    • doden werkwoord (dood, doodt, doodde, doodden, gedood)
    • vermoorden werkwoord (vermoord, vermoordt, vermoordde, vermoordden, vermoord)
    • liquideren werkwoord (liquideer, liquideert, liquideerde, liquideerden, geliquideerd)
    • van kant maken werkwoord (maak van kant, maakt van kant, maakte van kant, maakten van kant, van kant gemaakt)
    • doodmaken werkwoord (maak dood, maakt dood, maakte dood, maakten dood, doodgemaakt)
    • afmaken werkwoord (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • doodslaan werkwoord (sla dood, slaat dood, sloeg dood, sloegen dood, doodgeslagen)
    • ombrengen werkwoord (breng om, brengt om, bracht om, brachten om, omgebracht)
  2. matar (asesinar)
    afmaken; moorden; afslachten; doden; ombrengen; om het leven brengen; vermoorden
    • afmaken werkwoord (maak af, maakt af, maakte af, maakten af, afgemaakt)
    • moorden werkwoord (moord, moordt, moordde, moordden, gemoord)
    • afslachten werkwoord (slacht af, slachtte af, slachtten af, afgeslacht)
    • doden werkwoord (dood, doodt, doodde, doodden, gedood)
    • ombrengen werkwoord (breng om, brengt om, bracht om, brachten om, omgebracht)
    • vermoorden werkwoord (vermoord, vermoordt, vermoordde, vermoordden, vermoord)
  3. matar (rematar; sacrificar)
    slachten
    • slachten werkwoord (slacht, slachtte, slachtten, geslacht)
  4. matar (tirar abajo; arrancar; asesinar; )
    neerhalen; neersabelen
    • neerhalen werkwoord (haal neer, haalt neer, haalde neer, haalden neer, neergehaald)
    • neersabelen werkwoord
  5. matar (ejecutar)
    terechtstellen; ter dood brengen; executeren
    • terechtstellen werkwoord (stel terecht, stelt terecht, stelde terecht, stelden terecht, terechtgesteld)
    • ter dood brengen werkwoord
    • executeren werkwoord (executeer, executeert, executeerde, executeerden, geëxecuteerd)
  6. matar (matar a tiros; fusilar; asesinar; matar de un tiro)
    doodschieten; afschieten; fusilleren; afknallen
    • doodschieten werkwoord (schiet dood, schoot dood, schoten dood, doodgeschoten)
    • afschieten werkwoord (schiet af, schoot af, schoten af, afgeschoten)
    • fusilleren werkwoord (fusilleer, fusilleert, fusilleerde, fusilleerden, gefusilleerd)
    • afknallen werkwoord (knal af, knalt af, knalde af, knalden af, afgeknald)
  7. matar (smashear; aplastar; hacer pedazos)
    smashen
    • smashen werkwoord (smash, smasht, smashte, smashten, gesmasht)

Conjugations for matar:

presente
  1. mato
  2. matas
  3. mata
  4. matamos
  5. matáis
  6. matan
imperfecto
  1. mataba
  2. matabas
  3. mataba
  4. matábamos
  5. matabais
  6. mataban
indefinido
  1. maté
  2. mataste
  3. mató
  4. matamos
  5. matasteis
  6. mataron
fut. de ind.
  1. mataré
  2. matarás
  3. matará
  4. mataremos
  5. mataréis
  6. matarán
condic.
  1. mataría
  2. matarías
  3. mataría
  4. mataríamos
  5. mataríais
  6. matarían
pres. de subj.
  1. que mate
  2. que mates
  3. que mate
  4. que matemos
  5. que matéis
  6. que maten
imp. de subj.
  1. que matara
  2. que mataras
  3. que matara
  4. que matáramos
  5. que matarais
  6. que mataran
miscelánea
  1. ¡mata!
  2. ¡matad!
  3. ¡no mates!
  4. ¡no matéis!
  5. matado
  6. matando
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

matar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el matar
    afknallen
  2. el matar (eliminar)
    van kant maken; het doden

Vertaal Matrix voor matar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afknallen matar
afmaken acabar; carnicería; degüello; matanza; terminar
afschieten disparo de tiros
afslachten carnicería; degüello; matanza
doden eliminar; matar
doodschieten caza; derribar; matar a tiros; tumbar
van kant maken eliminar; matar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afknallen asesinar; fusilar; matar; matar a tiros; matar de un tiro
afmaken asesinar; dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar acabar; complementar; completar; dar fin a; eliminar; finalizar; liquidar; terminar
afschieten asesinar; fusilar; matar; matar a tiros; matar de un tiro cazar; descargar; disparar; hacer fuego; herir; lanzar; tirar
afslachten asesinar; matar
doden asesinar; dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar
doodmaken dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar
doodschieten asesinar; fusilar; matar; matar a tiros; matar de un tiro abatir; ejecutar; exterminar; hacer sentencia de muerte; someter a ejecución forzosa
doodslaan dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar
executeren ejecutar; matar abatir; ejecutar; exterminar; hacer sentencia de muerte; someter a ejecución forzosa
fusilleren asesinar; fusilar; matar; matar a tiros; matar de un tiro fusilar
liquideren dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar aniquilar; destruir; eliminar; extinguir; liquidar
moorden asesinar; matar
neerhalen abatir; arrancar; arriar; asesinar; bajar en picado; dejar atrás; derribar; desembarcar; echar abajo; matar; matar a tiros; matar de un tiro; menoscabar; pegar un tiro; rezagarse; someter a ejecución forzosa; tirar abajo criticar; demoler; derribar; desguazar
neersabelen abatir; arrancar; arriar; asesinar; bajar en picado; dejar atrás; derribar; desembarcar; echar abajo; matar; matar a tiros; matar de un tiro; menoscabar; pegar un tiro; rezagarse; someter a ejecución forzosa; tirar abajo
om het leven brengen asesinar; matar abatir; ejecutar; exterminar; hacer sentencia de muerte; someter a ejecución forzosa
ombrengen asesinar; dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar abatir; ejecutar; exterminar; hacer sentencia de muerte; someter a ejecución forzosa
slachten matar; rematar; sacrificar
smashen aplastar; hacer pedazos; matar; smashear
ter dood brengen ejecutar; matar executar
terechtstellen ejecutar; matar
van kant maken dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar
vermoorden asesinar; dar muerte a; efectuar; interrumpir; liquidar a una persona; matar; poner fin a una; poner término a una; realizar; terminar abatir; ejecutar; exterminar; hacer sentencia de muerte; someter a ejecución forzosa

Synoniemen voor "matar":


Wiktionary: matar

matar
verb
  1. iemand van het leven beroven.
  2. doden, om het leven brengen
  3. gewelddadig van het leven beroven

Cross Translation:
FromToVia
matar slachten butcher — To slaughter animals and prepare meat for market
matar doden; vermoorden kill — put to death
matar slachten slaughter — To butcher animals, generally for food (also kosher and halal rituals)
matar doden; vermoorden slay — to kill, murder
matar afbreken; slopen; neerhalen; kappen; vellen; neervellen; wippen; afhakken; afhouwen; afkappen; omhakken; deprimeren; neerdrukken; neerslachtig maken; terneerdrukken; delven; opduikelen; opgraven; rooien; uitgraven; winnen; uitputten; putten uit; omkappen; slachten; afslachten; fnuiken; verzwakken; bevangen; overwinnen; verslaan; zegevieren; neerkomen; doden; doodmaken; ombrengen; doodschieten; fusilleren; de moed ontnemen; ontmoedigen; afleggen; aflopen; doorgaan; gaan door; bedaren; geruststellen; kalmeren; kleinmaken; vernederen; verootmoedigen abattre — Traductions à trier suivant le sens
matar doden; doodmaken; ombrengen tuerôter la vie d’une manière violente ; il ne se dit pas quand il s’agit soit d’une exécution de justice, soit d’une mort par noyade, étouffement ou empoisonnement.

Verwante vertalingen van mata