Spaans

Uitgebreide vertaling voor perjudicar (Spaans) in het Nederlands

perjudicar:

perjudicar werkwoord

  1. perjudicar (dañar; afectar; menoscabar; reducir)
    schaden; benadelen; afbreuk doen aan
    • schaden werkwoord (schaad, schaadt, schaadde, schaadden, geschaad)
    • benadelen werkwoord (benadeel, benadeelt, benadeelde, benadeelden, benadeeld)
    • afbreuk doen aan werkwoord (doe afbreuk aan, doet afbreuk aan, deed afbreuk aan, deden afbreuk aan, afbreuk gedaan aan)
  2. perjudicar (dañar; meter; destruir; )
    beschadigen; aantasten; bederven; aanvreten
    • beschadigen werkwoord (beschadig, beschadigt, beschadigde, beschadigden, beschadigd)
    • aantasten werkwoord (tast aan, tastte aan, tastten aan, aangetast)
    • bederven werkwoord (bederf, bederft, bedierf, bedierven, bedorven)
    • aanvreten werkwoord
  3. perjudicar (agraviar; doler; dañar; )
    pijn doen; kwetsen; krenken; zeer doen; grieven
    • pijn doen werkwoord (doe pijn, doet pijn, deed pijn, deden pijn, pijn gedaan)
    • kwetsen werkwoord (kwets, kwetst, kwetste, kwetsten, gekwetst)
    • krenken werkwoord (krenk, krenkt, krenkte, krenkten, gekrenkt)
    • zeer doen werkwoord (doe zeer, doet zeer, deed zeer, deden zeer, zeer gedaan)
    • grieven werkwoord (grief, grieft, griefde, griefden, gegriefd)
  4. perjudicar (causar perjuicio; afectar; lastimar; )
    schade berokkenen; schade toebrengen aan; schaden; benadelen; duperen; nadeel toebrengen
    • schade berokkenen werkwoord (berokken schade, berokkent schade, berokkende schade, berokkenden schade, schade berokkend)
    • schade toebrengen aan werkwoord (breng schade toe aan, brengt schade toe aan, bracht schade toe aan, brachten schade toe aan, volbracht schade toe aan)
    • schaden werkwoord (schaad, schaadt, schaadde, schaadden, geschaad)
    • benadelen werkwoord (benadeel, benadeelt, benadeelde, benadeelden, benadeeld)
    • duperen werkwoord (dupeer, dupeert, dupeerde, dupeerden, gedupeerd)
    • nadeel toebrengen werkwoord (breng nadeel toe, brengt nadeel toe, bracht nadeel toe, brachten nadeel toe, nadeel toegebracht)
  5. perjudicar (causar perjuicio; dañar; lastimar; deteriorar)
    aantasten; bezoedelen; eer door het slijk halen
  6. perjudicar (dañar; lastimar; ofender; hacer daño)
    benadelen; nadeel berokkenen
    • benadelen werkwoord (benadeel, benadeelt, benadeelde, benadeelden, benadeeld)
    • nadeel berokkenen werkwoord (berokken nadeel, berokkent nadeel, berokkende nadeel, berokkenden nadeel, nadeel berokkend)
  7. perjudicar (doler; herir; afectar; )
    deren
    • deren werkwoord (deer, deert, deerde, deerden, gedeerd)
  8. perjudicar (contusionar; herir; lastimar; )
    kwetsen; krenken
    • kwetsen werkwoord (kwets, kwetst, kwetste, kwetsten, gekwetst)
    • krenken werkwoord (krenk, krenkt, krenkte, krenkten, gekrenkt)
  9. perjudicar (calumniar; doler; hacer daño a una persona; )
    kwaadspreken; belasteren; lasteren; smaden
    • kwaadspreken werkwoord (spreek kwaad, spreekt kwaad, sprak kwaad, spraken kwaad, kwaad gesproken)
    • belasteren werkwoord (belaster, belastert, belasterde, belasterden, belasterd)
    • lasteren werkwoord (laster, lastert, lasterde, lasterden, gelasterd)
    • smaden werkwoord (smaad, smaadt, smaadde, smaadden, gesmaad)
  10. perjudicar (causar perjuicio; estorbar; entorpecer; )
    schaden; nadelig zijn; kwaad doen
    • schaden werkwoord (schaad, schaadt, schaadde, schaadden, geschaad)
    • nadelig zijn werkwoord (ben nadelig, bent nadelig, is nadelig, was nadelig, waren nadelig, nadelig geweest)
    • kwaad doen werkwoord (doe kwaad, doet kwaad, deed kwaad, deden kwaad, kwaad gedaan)
  11. perjudicar (herir; lesionar; dañar; )
    kwetsen; blesseren; verwonden; bezeren; schaden
    • kwetsen werkwoord (kwets, kwetst, kwetste, kwetsten, gekwetst)
    • blesseren werkwoord (blesseer, blesseert, blesseerde, blesseerden, gebleseerd)
    • verwonden werkwoord (verwond, verwondt, verwondde, verwondden, verwond)
    • bezeren werkwoord (bezeer, bezeert, bezeerde, bezeerden, bezeerd)
    • schaden werkwoord (schaad, schaadt, schaadde, schaadden, geschaad)

Conjugations for perjudicar:

presente
  1. perjudico
  2. perjudicas
  3. perjudica
  4. perjudicamos
  5. perjudicáis
  6. perjudican
imperfecto
  1. perjudicaba
  2. perjudicabas
  3. perjudicaba
  4. perjudicábamos
  5. perjudicabais
  6. perjudicaban
indefinido
  1. perjudiqué
  2. perjudicaste
  3. perjudicó
  4. perjudicamos
  5. perjudicasteis
  6. perjudicaron
fut. de ind.
  1. perjudicaré
  2. perjudicarás
  3. perjudicará
  4. perjudicaremos
  5. perjudicaréis
  6. perjudicarán
condic.
  1. perjudicaría
  2. perjudicarías
  3. perjudicaría
  4. perjudicaríamos
  5. perjudicaríais
  6. perjudicarían
pres. de subj.
  1. que perjudique
  2. que perjudiques
  3. que perjudique
  4. que perjudiquemos
  5. que perjudiquéis
  6. que perjudiquen
imp. de subj.
  1. que perjudicara
  2. que perjudicaras
  3. que perjudicara
  4. que perjudicáramos
  5. que perjudicarais
  6. que perjudicaran
miscelánea
  1. ¡perjudica!
  2. ¡perjudicad!
  3. ¡no perjudiques!
  4. ¡no perjudiquéis!
  5. perjudicado
  6. perjudicando
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor perjudicar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aantasten acometer; atacar
bederven degeneración; degradación; descomposición; disolución; eliminación; liquidación; podredumbre; putrefacción
belasteren calumniador; calumniadora; difamación
beschadigen dañar; herir
kwaadspreken calumniador
kwetsen dañar; herir
pijn doen herida
zeer doen herida
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aantasten abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar
aanvreten abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar picar; pinchar
afbreuk doen aan afectar; dañar; menoscabar; perjudicar; reducir
bederven abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar amargar; corromper; degenerar; degenerarse; destruir; echar a perder; estropear; malear; malograr; podrirse; pudrirse
belasteren afectar; afrentar; agraviar; blasfemar; calumniar; chocar; dañar; difamar; doler; hablar mal; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; insultar; lastimar; lesionar; ofender; perjudicar blasfemar; calumniar; comadrear; cotillear; cotorrear; echar pestes; hablar mal de; maldecir
benadelen afectar; causar perjuicio; dañar; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; lastimar; menoscabar; ofender; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar; reducir decepcionar; desilusionar; frustrar
beschadigen abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar causar perjuicio; dañar; hacer daño a; lastimar; maltratar
bezeren afectar; causar perjuicio; dañar; hacer daño a; herir; lastimar; lesionar; perjudicar
bezoedelen causar perjuicio; dañar; deteriorar; lastimar; perjudicar ensuciar; manchar
blesseren afectar; causar perjuicio; dañar; hacer daño a; herir; lastimar; lesionar; perjudicar
deren afectar; causar perjuicio; dañar; debilitar; deteriorar; doler; hacer daño; hacer daño a; herir; lastimar; lesionar; ofender; perjudicar
duperen afectar; causar perjuicio; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; lastimar; ofender; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar decepcionar; desilusionar; frustrar
eer door het slijk halen causar perjuicio; dañar; deteriorar; lastimar; perjudicar
grieven agraviar; causar perjuicio; dañar; doler; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; ofender; perjudicar
krenken afectar; agraviar; causar perjuicio; contusionar; dañar; doler; hacer daño a; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; lastimar; lesionar; magullar; ofender; perjudicar
kwaad doen causar perjuicio; dañar; discriminar; enfadar; entorpecer; estorbar; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar hacer daño; hacer mal; ofender
kwaadspreken afectar; afrentar; agraviar; blasfemar; calumniar; chocar; dañar; difamar; doler; hablar mal; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; insultar; lastimar; lesionar; ofender; perjudicar blasfemar; calumniar; comadrear; cotillear; cotorrear; echar pestes; hablar mal de; maldecir
kwetsen afectar; agraviar; causar perjuicio; contusionar; dañar; doler; hacer daño a; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; lastimar; lesionar; magullar; ofender; perjudicar
lasteren afectar; afrentar; agraviar; blasfemar; calumniar; chocar; dañar; difamar; doler; hablar mal; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; insultar; lastimar; lesionar; ofender; perjudicar blasfemar; calumniar; comadrear; cotillear; cotorrear; echar pestes; hablar mal de; maldecir
nadeel berokkenen dañar; hacer daño; lastimar; ofender; perjudicar
nadeel toebrengen afectar; causar perjuicio; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; lastimar; ofender; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar
nadelig zijn causar perjuicio; dañar; discriminar; enfadar; entorpecer; estorbar; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar
pijn doen agraviar; causar perjuicio; dañar; doler; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; ofender; perjudicar doler; hacer daño; hacer dolor; hacer mal; herir; lastimar
schade berokkenen afectar; causar perjuicio; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; lastimar; ofender; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar
schade toebrengen aan afectar; causar perjuicio; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; lastimar; ofender; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar
schaden afectar; causar perjuicio; dañar; discriminar; enfadar; entorpecer; estorbar; hacer daño; hacer daño a; hacer mal; herir; lastimar; lesionar; menoscabar; ofender; perjudicar; perjudicar a una persona; postergar; reducir causar perjuicio; dañar; hacer daño a; lastimar; maltratar
smaden afectar; afrentar; agraviar; blasfemar; calumniar; chocar; dañar; difamar; doler; hablar mal; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; insultar; lastimar; lesionar; ofender; perjudicar afrentar; burlarse de; difamar; ultrajar
verwonden afectar; causar perjuicio; dañar; hacer daño a; herir; lastimar; lesionar; perjudicar hacer daño; lastimar
zeer doen agraviar; causar perjuicio; dañar; doler; hacer daño a una persona; hacer mal; herir; injuriar; ofender; perjudicar doler; hacer daño; hacer dolor; hacer mal; herir; lastimar

Synoniemen voor "perjudicar":


Wiktionary: perjudicar

perjudicar
verb
  1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
  2. het toebrengen van schade

Cross Translation:
FromToVia
perjudicar verpesten; beschadigen; verknoeien mar — to spoil, to damage
perjudicar schaden; benadelen; deren nuire — Causer du tort, porter dommage à quelqu’un.

Computer vertaling door derden:

Verwante vertalingen van perjudicar