Spaans

Uitgebreide vertaling voor personificar (Spaans) in het Nederlands

personificar:

personificar werkwoord

  1. personificar (encarnar; interpretar; caracterizar; )
    verpersonificeren; uitbeelden; verbeelden; vertolken
    • verpersonificeren werkwoord
    • uitbeelden werkwoord (beeld uit, beeldt uit, beeldde uit, beeldden uit, uitgebeeld)
    • verbeelden werkwoord (verbeeld, verbeeldt, verbeeldde, verbeeldden, verbeeld)
    • vertolken werkwoord (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
  2. personificar (encarnar)
    belichamen; verpersoonlijken
    • belichamen werkwoord (belichaam, belichaamt, belichaamde, belichaamden, belichaamd)
    • verpersoonlijken werkwoord (verpersoonlijk, verpersoonlijkt, verpersoonlijkte, verpersoonlijkten, verpersoonlijkt)
  3. personificar (encarnar)
    incarneren; in een ander lichaam terugkeren
  4. personificar
    personificeren; personifiëren; verpersoonlijken
    • personificeren werkwoord (personificeer, personificeert, personificeerde, personificeerden, gepersonificeerd)
    • personifiëren werkwoord (personifiëer, personifiëert, personifiëerde, personifiëerden, gepersonifiëerd)
    • verpersoonlijken werkwoord (verpersoonlijk, verpersoonlijkt, verpersoonlijkte, verpersoonlijkten, verpersoonlijkt)

Conjugations for personificar:

presente
  1. personifico
  2. personificas
  3. personifica
  4. personificamos
  5. personificáis
  6. personifican
imperfecto
  1. personificaba
  2. personificabas
  3. personificaba
  4. personificábamos
  5. personificabais
  6. personificaban
indefinido
  1. personifiqué
  2. personificaste
  3. personificó
  4. personificamos
  5. personificasteis
  6. personificaron
fut. de ind.
  1. personificaré
  2. personificarás
  3. personificará
  4. personificaremos
  5. personificaréis
  6. personificarán
condic.
  1. personificaría
  2. personificarías
  3. personificaría
  4. personificaríamos
  5. personificaríais
  6. personificarían
pres. de subj.
  1. que personifique
  2. que personifiques
  3. que personifique
  4. que personifiquemos
  5. que personifiquéis
  6. que personifiquen
imp. de subj.
  1. que personificara
  2. que personificaras
  3. que personificara
  4. que personificáramos
  5. que personificarais
  6. que personificaran
miscelánea
  1. ¡personifica!
  2. ¡personificad!
  3. ¡no personifiques!
  4. ¡no personifiquéis!
  5. personificado
  6. personificando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor personificar:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
belichamen encarnar; personificar
in een ander lichaam terugkeren encarnar; personificar
incarneren encarnar; personificar
personificeren personificar
personifiëren personificar
uitbeelden caracterizar; encarnar; expresar; imitar; interpretar; personificar; pintar
verbeelden caracterizar; encarnar; expresar; imitar; interpretar; personificar; pintar
verpersonificeren caracterizar; encarnar; expresar; imitar; interpretar; personificar; pintar
verpersoonlijken encarnar; personificar
vertolken caracterizar; encarnar; expresar; imitar; interpretar; personificar; pintar apagar; caracterizar; decir; desembrollar; desenmarañar; desentrañar; deshilarse; dictar; escoger; expresar; hablar; hacerse eco de; interpretar; parlar; pronunciarse; reflejar; reproducir; traducir

Synoniemen voor "personificar":