Spaans

Uitgebreide vertaling voor tenga (Spaans) in het Nederlands

tenga:

tenga bijvoeglijk naamwoord

  1. tenga (aquí tiene; tome)
    alstublieft; s.v.p.; alsjeblieft

Vertaal Matrix voor tenga:

OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
alsjeblieft aquí tiene; tenga; tome por favor
alstublieft por favor
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
alstublieft aquí tiene; tenga; tome
s.v.p. aquí tiene; tenga; tome

Verwante woorden van "tenga":

  • tengas

tener:

tener werkwoord

  1. tener (propiedades; disponer de; poseer; haber)
    hebben; bezitten; beschikken over; in eigendom hebben
    • hebben werkwoord (heb, hebt, heeft, had, hadden, gehad)
    • bezitten werkwoord (bezit, bezat, bezaten, bezeten)
    • beschikken over werkwoord (beschik over, beschikt over, beschikte over, beschikten over, beschikt over)
    • in eigendom hebben werkwoord

Conjugations for tener:

presente
  1. tengo
  2. tienes
  3. tiene
  4. tenemos
  5. tenéis
  6. tienen
imperfecto
  1. tenía
  2. tenías
  3. tenía
  4. teníamos
  5. teníais
  6. tenían
indefinido
  1. tuve
  2. tuviste
  3. tuvo
  4. tuvovimos
  5. tuvisteis
  6. tuvieron
fut. de ind.
  1. tendré
  2. tendrás
  3. tendrá
  4. tendremos
  5. tendréis
  6. tendrán
condic.
  1. tendría
  2. tendrías
  3. tendría
  4. tendríamos
  5. tendríais
  6. tendrían
pres. de subj.
  1. que tenga
  2. que tengas
  3. que tenga
  4. que tengamos
  5. que tengáis
  6. que tengan
imp. de subj.
  1. que tuviera
  2. que tuvieras
  3. que tuviera
  4. que tuviéramos
  5. que tuvierais
  6. que tuvieran
miscelánea
  1. ¡ten!
  2. ¡tened!
  3. ¡no tengas!
  4. ¡no tengáis!
  5. tenido
  6. teniendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor tener:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beschikken over disponer de; haber; poseer; propiedades; tener
bezitten disponer de; haber; poseer; propiedades; tener
hebben disponer de; haber; poseer; propiedades; tener
in eigendom hebben disponer de; haber; poseer; propiedades; tener

Synoniemen voor "tener":


Wiktionary: tener


Cross Translation:
FromToVia
tener hebben have — to possess
tener houden; vasthouden hold — to grasp
tener wijzen op aufweisen — etwas als Merkmal haben
tener bewaren; behoeden; passen; op; hoeden gaumen — (transitiv), Schweiz: auf jemandem, etwas aufpassen; in seine Obhut nehmen
tener hebben haben — (transitiv) eine Sache besitzen
tener houden; bijhouden; vasthouden tenir — Avoir en main, entre les bras, de manière à ne pas laisser aller.