Overzicht
Spaans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. tic:
  2. Wiktionary:


Spaans

Uitgebreide vertaling voor tic (Spaans) in het Nederlands

tic:

tic [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el tic (tic nervioso)
    de zenuwtrek; de zenuwtrekking
  2. el tic (característica; peculiaridad de carácter; rasgo; )
    het karaktertrekje; het trekje
  3. el tic (manía)
    de rarigheid; de tic; het aanwensel
    • rarigheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • tic [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • aanwensel [het ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor tic:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanwensel manía; tic
karaktertrekje característica; peculiaridad; peculiaridad de carácter; rasgo; rasgo característico; rasgo de carácter; tic; tic característico
rarigheid manía; tic curiosidad; excentricidad; extravagancia; particularidad; peculiaridad; rareza; singularidad
tic manía; tic
trekje característica; peculiaridad; peculiaridad de carácter; rasgo; rasgo característico; rasgo de carácter; tic; tic característico calada; chupada
zenuwtrek tic; tic nervioso
zenuwtrekking tic; tic nervioso

Verwante woorden van "tic":

  • tics

Synoniemen voor "tic":


Wiktionary: tic

tic
noun
  1. iets dat iemand karakteriseert

Cross Translation:
FromToVia
tic tic tic — A local and habitual convulsive motion of certain muscles

Verwante vertalingen van tic