Overzicht


Frans

Uitgebreide vertaling voor torchons (Frans) in het Nederlands

torchons:

torchons [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. le torchons (tissus; draps)
    de doeken; de lappen
    • doeken [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
    • lappen [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.
  2. le torchons (essuie-verres)
    de keukendoek; de theedoeken
  3. le torchons
    de vaatdoeken

Vertaal Matrix voor torchons:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
doeken draps; tissus; torchons
keukendoek essuie-verres; torchons essuie-verres; torchon
lappen draps; tissus; torchons coupons
theedoeken essuie-verres; torchons
vaatdoeken torchons
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
lappen accomplir; arriver; arriver à; effectuer; exécuter; jouer un tour à qn; parvenir; parvenir à; réaliser; réussir

torcher:

torcher werkwoord (torche, torches, torchons, torchez, )

  1. torcher (effacer; enlever; essuyer; )
    wissen; uitwissen; wegvegen; uitvegen; vlakken; uitgommen; uitvlakken
    • wissen werkwoord (wis, wist, wiste, wisten, gewist)
    • uitwissen werkwoord (wis uit, wist uit, wiste uit, wisten uit, uitgewist)
    • wegvegen werkwoord (veeg weg, veegt weg, veegde weg, veegden weg, weggeveegd)
    • uitvegen werkwoord (veeg uit, veegt uit, veegde uit, veegden uit, uitgeveegd)
    • vlakken werkwoord (vlak, vlakt, vlakte, vlakten, gevlakt)
    • uitgommen werkwoord (gom, gomt, gomde, gomden, uitgegomd)
    • uitvlakken werkwoord (vlak uit, vlakt uit, vlakte uit, vlakten uit, uitgevlakt)

Conjugations for torcher:

Présent
  1. torche
  2. torches
  3. torche
  4. torchons
  5. torchez
  6. torchent
imparfait
  1. torchais
  2. torchais
  3. torchait
  4. torchions
  5. torchiez
  6. torchaient
passé simple
  1. torchai
  2. torchas
  3. torcha
  4. torchâmes
  5. torchâtes
  6. torchèrent
futur simple
  1. torcherai
  2. torcheras
  3. torchera
  4. torcherons
  5. torcherez
  6. torcheront
subjonctif présent
  1. que je torche
  2. que tu torches
  3. qu'il torche
  4. que nous torchions
  5. que vous torchiez
  6. qu'ils torchent
conditionnel présent
  1. torcherais
  2. torcherais
  3. torcherait
  4. torcherions
  5. torcheriez
  6. torcheraient
passé composé
  1. ai torché
  2. as torché
  3. a torché
  4. avons torché
  5. avez torché
  6. ont torché
divers
  1. torche!
  2. torchez!
  3. torchons!
  4. torché
  5. torchant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor torcher:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
uitgommen aplanir; aplatir; balayer; effacer; enlever; entraîner; essuyer; faire disparaître; gommer; torcher
uitvegen aplanir; aplatir; balayer; effacer; enlever; entraîner; essuyer; faire disparaître; gommer; torcher
uitvlakken aplanir; aplatir; balayer; effacer; enlever; entraîner; essuyer; faire disparaître; gommer; torcher
uitwissen aplanir; aplatir; balayer; effacer; enlever; entraîner; essuyer; faire disparaître; gommer; torcher
vlakken aplanir; aplatir; balayer; effacer; enlever; entraîner; essuyer; faire disparaître; gommer; torcher
wegvegen aplanir; aplatir; balayer; effacer; enlever; entraîner; essuyer; faire disparaître; gommer; torcher balayer; effacer
wissen aplanir; aplatir; balayer; effacer; enlever; entraîner; essuyer; faire disparaître; gommer; torcher effacer

Synoniemen voor "torcher":


Computer vertaling door derden: