Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. hagel:
  2. hagelen:
  3. Wiktionary:
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. Hagel:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor hagel (Nederlands) in het Duits

hagel:

hagel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de hagel (hagelsteen; hagelkorrel)
    der Hagel; der Graupel; Hagelkorn
    • Hagel [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Graupel [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Hagelkorn [das ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor hagel:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Graupel hagel; hagelkorrel; hagelsteen
Hagel hagel; hagelkorrel; hagelsteen
Hagelkorn hagel; hagelkorrel; hagelsteen

Verwante woorden van "hagel":


Verwante definities voor "hagel":

  1. neerslag van ijskorrels1
    • we krijgen volgens de weerman regen en hagel1

Wiktionary: hagel

hagel
noun
  1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
hagel
noun
  1. aus meist kleinen Eisklumpen bestehender Niederschlag

Cross Translation:
FromToVia
hagel Hagel hail — balls of ice
hagel Hagel; Hagelschlag grêlepluie qui tomber sous forme de petits blocs de glace.

hagel vorm van hagelen:

hagelen werkwoord (hagelt, hagelde, gehageld)

  1. hagelen
    hageln

Conjugations for hagelen:

o.t.t.
  1. hagelt
o.v.t.
  1. hagelde
v.t.t.
  1. heeft gehageld
v.v.t.
  1. had gehageld
o.t.t.t.
  1. zal hagelen
o.v.t.t.
  1. zou hagelen
diversen
  1. hagel!
  2. hagelt!
  3. gehageld
  4. hagelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor hagelen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
hageln hagelen

Verwante woorden van "hagelen":


Wiktionary: hagelen

hagelen
verb
  1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
hagelen
verb
  1. es hagelt = Hagel fällt

Cross Translation:
FromToVia
hagelen hageln hail — said when hail is falling
hagelen hageln grêlertomber, en parlant de la grêle.

Verwante vertalingen van hagel



Duits

Uitgebreide vertaling voor hagel (Duits) in het Nederlands

Hagel:

Hagel [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Hagel (Hagelkorn; Graupel)
    de hagel; de hagelsteen; de hagelkorrel

Vertaal Matrix voor Hagel:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
hagel Graupel; Hagel; Hagelkorn
hagelkorrel Graupel; Hagel; Hagelkorn
hagelsteen Graupel; Hagel; Hagelkorn

Synoniemen voor "Hagel":


Wiktionary: Hagel

Hagel
noun
  1. aus meist kleinen Eisklumpen bestehender Niederschlag
Hagel
noun
  1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt

Cross Translation:
FromToVia
Hagel hagel hail — balls of ice
Hagel hagel grêlepluie qui tomber sous forme de petits blocs de glace.