Nederlands

Uitgebreide vertaling voor meter (Nederlands) in het Spaans

meter:

meter [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

  1. de meter (peettante; doopmoeder)
    la madrina
    • madrina [la ~] zelfstandig naamwoord

meter [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de meter
    el metro
    • metro [el ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor meter:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
madrina doopmoeder; meter; peettante
metro meter duimstok; maatstaf; maatstok; metro; ondergrondse; versmaat

Verwante woorden van "meter":

  • meters, metertje, metertjes

Verwante definities voor "meter":

  1. apparaat om te meten1
    • de gasmeter meet hoeveel gas je gebruikt1
  2. grote stap, 100 centimeter1
    • het huis was vijf meter breed1

Wiktionary: meter

meter
noun
  1. de SI-eenheid van lengte
  2. een doopmoeder

Cross Translation:
FromToVia
meter medida; calibración gauge — a measure; a standard of measure; an instrument to determine dimensions, distance, or capacity; a standard
meter madrina godmother — woman present at the christening of a baby who promises to help raise the child in a Christian manner
meter metro; contador; medidor meter — measuring instrument
meter metro metre — unit of length
meter metro mètre — Unité de mesure

Verwante vertalingen van meter



Spaans

Uitgebreide vertaling voor meter (Spaans) in het Nederlands

meter:

meter werkwoord

  1. meter (dañar; destruir; estropear; )
    beschadigen; aantasten; bederven; aanvreten
    • beschadigen werkwoord (beschadig, beschadigt, beschadigde, beschadigden, beschadigd)
    • aantasten werkwoord (tast aan, tastte aan, tastten aan, aangetast)
    • bederven werkwoord (bederf, bederft, bedierf, bedierven, bedorven)
    • aanvreten werkwoord
  2. meter (depositar; poner; colocar; situar)
    leggen; plaatsen; neerleggen; deponeren; wegleggen
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • neerleggen werkwoord (leg neer, legt neer, legde neer, legden neer, neergelegd)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
    • wegleggen werkwoord (leg weg, legt weg, legde weg, legden weg, weggelegd)
  3. meter (aplicar; poner; situar; )
    zetten; plaatsen
    • zetten werkwoord (zet, zette, zetten, gezet)
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
  4. meter (ordenar; recoger la mesa; recoger; almacenar; deshacerse de)
    opruimen; bergen
    • opruimen werkwoord (ruim op, ruimt op, ruimde op, ruimden op, opgeruimd)
    • bergen werkwoord (berg, bergt, bergde, bergden, gebergd)
  5. meter (poner; encajar; colocar; aplicar; depositar)
    leggen; deponeren
    • leggen werkwoord (leg, legt, legde, legden, gelegd)
    • deponeren werkwoord (deponeer, deponeert, deponeerde, deponeerden, gedeponeerd)
  6. meter (pinchar en; envainar)
    inprikken
    • inprikken werkwoord (prik in, prikt in, prikte in, prikten in, ingeprikt)
  7. meter (destinar; ubicar; aparcar; )
    plaatsen; stationeren; posten; posteren
    • plaatsen werkwoord (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • stationeren werkwoord (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • posten werkwoord (post, postte, postten, gepost)
    • posteren werkwoord (posteer, posteert, posteerde, posteerden, geposteerd)

Conjugations for meter:

presente
  1. meto
  2. metes
  3. mete
  4. metemos
  5. metéis
  6. meten
imperfecto
  1. metía
  2. metías
  3. metía
  4. metíamos
  5. metíais
  6. metían
indefinido
  1. metí
  2. metiste
  3. metió
  4. metimos
  5. metisteis
  6. metieron
fut. de ind.
  1. meteré
  2. meterás
  3. meterá
  4. meteremos
  5. meteréis
  6. meterán
condic.
  1. metería
  2. meterías
  3. metería
  4. meteríamos
  5. meteríais
  6. meterían
pres. de subj.
  1. que meta
  2. que metas
  3. que meta
  4. que metamos
  5. que metáis
  6. que metan
imp. de subj.
  1. que metiera
  2. que metieras
  3. que metiera
  4. que metiéramos
  5. que metierais
  6. que metieran
miscelánea
  1. ¡mete!
  2. ¡meted!
  3. ¡no metas!
  4. ¡no metáis!
  5. metido
  6. metiendo
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor meter:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aantasten acometer; atacar
bederven degeneración; degradación; descomposición; disolución; eliminación; liquidación; podredumbre; putrefacción
bergen almacén; depósito
beschadigen dañar; herir
leggen cesar el trabajo; interrumpir el trabajo
neerleggen caza; derribar; matar a tiros; tumbar
posten echar al correo; expedición; remisión
zetten colocación
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aantasten abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar causar perjuicio; dañar; deteriorar; lastimar; perjudicar
aanvreten abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar picar; pinchar
bederven abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar amargar; corromper; degenerar; degenerarse; destruir; echar a perder; estropear; malear; malograr; podrirse; pudrirse
bergen almacenar; deshacerse de; meter; ordenar; recoger; recoger la mesa guardar; salvar
beschadigen abastecerse de; aniquilar; aplastar; astillar; causar perjuicio; clavar; dar un mate; dañar; debilitar; deshacer; destrozar; destruir; deteriorar; estrellar; estrellarse; estropear; estropearse; hacer daño; hacer pedazos; hacerse añicos; hacerse pedazos; lastimar; lesionar; machacar; meter; pegar hasta romper; perjudicar; quebrarse; reventar; romperse; triturar causar perjuicio; dañar; hacer daño a; lastimar; maltratar
deponeren aplicar; colocar; depositar; encajar; meter; poner; situar almacenar; arrojar; deponer; depositar; depositar sobre; derribar; destinar; estacionar; guardar; ingresar; mover; pagar; poner; publicar; salvar; situar; transcribir; verter
inprikken envainar; meter; pinchar en
leggen aplicar; colocar; depositar; encajar; meter; poner; situar colocar; deponer; depositar; depositar sobre; derribar; destinar; estacionar; mover; poner; publicar; situar
neerleggen colocar; depositar; meter; poner; situar arrojar; colocar; colocarse; componer; deponer; depositar; depositar sobre; derribar; destinar; encajar; engarzar; estacionar; hacer; hacer arreglos musicales; invertir; jugar; mover; pagar; poner; publicar; reducir; situar; tender; tumbar; ubicar; verter
opruimen almacenar; deshacerse de; meter; ordenar; recoger; recoger la mesa limpiar; limpiar a fondo; recoger; recoger la mesa
plaatsen aparcar; aplicar; colocar; colocarse; componer; depositar; destinar; encajar; engarzar; estacionar; estar echado; instalar; meter; poner; situar; ubicar alojarse; apartar; clasificar; colocar; construir; dar alojamiento; deponer; depositar; depositar sobre; derribar; desarrollarse; destinar; determinar; establecer; estacionar; fijar; habitar; hospedar; hospedarse; localizar; mover; poner; publicar; situar; ubicar; vivir en casa de una persona
posten aparcar; colocar; colocarse; componer; destinar; estacionar; estar echado; instalar; meter; ubicar apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al buzón; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; exponer; expulsar; mandar; mandar a; publicar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar
posteren aparcar; colocar; colocarse; componer; destinar; estacionar; estar echado; instalar; meter; ubicar
stationeren aparcar; colocar; colocarse; componer; destinar; estacionar; estar echado; instalar; meter; ubicar deponer; depositar; depositar sobre; derribar; destinar; estacionar; mover; poner; publicar; situar
wegleggen colocar; depositar; meter; poner; situar
zetten aplicar; depositar; encajar; engarzar; meter; poner; situar colocar; deponer; depositar; depositar sobre; derribar; destinar; estacionar; mover; poner; publicar; situar
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
opruimen Limpiar

Synoniemen voor "meter":


Wiktionary: meter

meter
verb
  1. doen halthouden

Cross Translation:
FromToVia
meter aandoen; aantrekken; opleggen; opbrengen; aanbrengen; leggen; steken; plaatsen; stellen; stoppen; zetten; doen; indoen; inleggen; inzetten mettreplacer une personne, ou un animal, ou une chose dans un lieu déterminé.

Verwante vertalingen van meter