Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. zachtheid:
  2. zacht:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor zachtheid (Nederlands) in het Frans

zachtheid:

zachtheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

  1. de zachtheid (tederheid; liefkozing; gevoeligheid; innigheid; hartelijkheid)
    la passion; la tendresse; la douceur
  2. de zachtheid (weekheid)
    la douceur; la mollesse
    • douceur [la ~] zelfstandig naamwoord
    • mollesse [la ~] zelfstandig naamwoord
  3. de zachtheid (slapheid; zwakte; zwakheid; )
    la faiblesse; la mollesse

Vertaal Matrix voor zachtheid:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
douceur gevoeligheid; hartelijkheid; innigheid; liefkozing; tederheid; weekheid; zachtheid clementie; compassie; goedertierenheid; liefheid; lieflijkheid; lieftalligheid; mildheid; toegevendheid; welwillendheid; zachtaardigheid; zoetheid
faiblesse krachteloosheid; laksheid; slapheid; slapte; sulligheid; weekheid; zachtheid; zwakheid; zwakte broosheid; flauwte; futloosheid; gebrek; geen kracht hebben; gevoeligheid; impotentie; katzwijm; krachteloosheid; kwetsbaarheid; loomheid; machteloosheid; manco; matheid; onmacht; onvermogen; slapheid; slapte; teerheid; weekte; weerloosheid; zwak punt; zwakheid; zwakte; zwijm
mollesse krachteloosheid; laksheid; slapheid; slapte; sulligheid; weekheid; zachtheid; zwakheid; zwakte krachteloosheid; slapping; slapte; weekte; zwakheid
passion gevoeligheid; hartelijkheid; innigheid; liefkozing; tederheid; zachtheid animo; belangstelling; bevlogenheid; bezetenheid; bezieling; devotie; drift; enthousiasme; fascinatie; felheid; geboeidheid; gedrevenheid; geestdrift; genegenheid; genoegen; genot; gloed; hartstocht; hartstochtelijkheid; heftigheid; hevigheid; ijver; intensiteit; interesse; inzet; jool; kracht; leut; lust; obsessie; overgave; passie; plezier; pret; seksuele begeerte; toegewijdheid; toewijding; trouw; verlangen; verliefdheid; vurigheid; vuur; wellust; wens; zin; zorgzaamheid
tendresse gevoeligheid; hartelijkheid; innigheid; liefkozing; tederheid; zachtheid genegenheid; goedaardigheid; innigheid; intimiteit; liefde; vertrouwelijkheid

Verwante woorden van "zachtheid":



zachtheid vorm van zacht:

zacht bijvoeglijk naamwoord

  1. zacht (zachtaardig; goedhartig; mild; )
    doux; tendre; bénin; clément
  2. zacht (zacht aanvoelend)
    doux; moelleux; doucement; tendre; velouté

Vertaal Matrix voor zacht:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
tendre aangeven; aanreiken; geven; oprekken; opspannen; reiken; rekken; spannen; strak maken
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bénin clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zachtaardig clement; genadig; vergevingsgezind; verzoenend
clément clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zachtaardig barmhartig; clement; genaderijk; genadig; menslievende; vergevend; vergevingsgezind; verzoenend
doucement zacht; zacht aanvoelend
doux clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zacht aanvoelend; zachtaardig bevallig; bezadigd; bijzonder aangenaam; clement; genadig; gezapig; lief; sloom; vergevingsgezind; verzoenend; zoet; zoetsmakend
moelleux zacht; zacht aanvoelend
tendre clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zacht aanvoelend; zachtaardig breekbaar; broos; clement; delicaat; diep; dun; fijn; fijngebouwd; fijngevoelig; fijnzinnig; fragiel; frèle; genadig; gevoelig; gevoelvol; iel; innig; intens; kwetsbaar; lichtgebouwd; liefderijk; liefdevol; liefhebbend; rank; sentimenteel; slank; teder; teer; teerbesnaard; teergevoelig; teerhartig; tenger; vergevingsgezind; verzoenend; weekhartig; zwak
velouté zacht; zacht aanvoelend dikkig; fluweelachtig; fluweelzacht; fluwelen; romig; velours

Verwante woorden van "zacht":


Antoniemen van "zacht":


Verwante definities voor "zacht":

  1. gemakkelijk in te drukken1
    • ik slaap op een zacht matras1
  2. gemengd met veel wit, weinig opvallend1
    • rose en lichtblauw zijn zachte kleuren1
  3. met tamelijk hoge temperaturen1
    • we hebben een zachte winter dit jaar1
  4. met weinig kracht1
    • hij gaf me een zachte duw1
  5. niet luid1
    • zet die muziek eens wat zachter!1
  6. rustig en vriendelijk1
    • zijn dochter is een zacht meisje1

Wiktionary: zacht

zacht
adjective
  1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
zacht
  1. -
adjective
  1. Traductions à trier suivant le sens.
  2. agréable, charmant, mignon, aimable. Qui a une certaine grâce, un certain agrément délicat.
  3. Qui ne reprend pas sa forme initiale après avoir été déformé

Cross Translation:
FromToVia
zacht doux; douce bland — Mild; dull; soft; gentle; smooth in manner; suave
zacht douce; doux bland — Having a soothing effect; not irritating or stimulating
zacht douce; doux mild — gentle; pleasant; kind; soft
zacht mou; molle; doux soft — giving way under pressure
zacht mou; molle soft — of a cloth
zacht doux; douce soft — gentle
zacht tendre tender — soft and easily chewed
zacht tendre tender — fond, loving, gentle, sweet
zacht mou; molle weich — ohne großen Kraftaufwand plastisch verformbar
zacht fragile zart — wenig robust/widerstandsfähig
zacht fin zart — als angenehm wahrnehmbar

Computer vertaling door derden: