Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. schromen:
  2. schroom:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor schromen (Nederlands) in het Frans

schromen:

schromen werkwoord (schroom, schroomt, schroomde, schroomden, geschroomd)

  1. schromen
    craindre; redouter
    • craindre werkwoord (crains, craint, craignons, craignez, )
    • redouter werkwoord (redoute, redoutes, redoutons, redoutez, )

Conjugations for schromen:

o.t.t.
  1. schroom
  2. schroomt
  3. schroomt
  4. schroomen
  5. schroomen
  6. schroomen
o.v.t.
  1. schroomde
  2. schroomde
  3. schroomde
  4. schroomden
  5. schroomden
  6. schroomden
v.t.t.
  1. heb geschroomd
  2. hebt geschroomd
  3. heeft geschroomd
  4. hebben geschroomd
  5. hebben geschroomd
  6. hebben geschroomd
v.v.t.
  1. had geschroomd
  2. had geschroomd
  3. had geschroomd
  4. hadden geschroomd
  5. hadden geschroomd
  6. hadden geschroomd
o.t.t.t.
  1. zal schromen
  2. zult schromen
  3. zal schromen
  4. zullen schromen
  5. zullen schromen
  6. zullen schromen
o.v.t.t.
  1. zou schromen
  2. zou schromen
  3. zou schromen
  4. zouden schromen
  5. zouden schromen
  6. zouden schromen
en verder
  1. ben geschroomd
  2. bent geschroomd
  3. is geschroomd
  4. zijn geschroomd
  5. zijn geschroomd
  6. zijn geschroomd
diversen
  1. schroom!
  2. schroomt!
  3. geschroomd
  4. schromend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor schromen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
craindre schromen angst hebben; bang zijn; beducht zijn; bezorgd wezen; duchten; in zorg zijn; vrees koesteren; vrezen
redouter schromen angst hebben; bang zijn; beducht zijn; bezorgd wezen; duchten; in zorg zijn; vrees koesteren; vrezen

Verwante woorden van "schromen":



schroom:

schroom [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de schroom (gêne; verlegenheid; gegeneerdheid)
    l'embarras; la gêne
    • embarras [le ~] zelfstandig naamwoord
    • gêne [la ~] zelfstandig naamwoord
  2. de schroom (beschroomdheid)
    la lâcheté; la frousse; la timidité
  3. de schroom (verlegenheid; bedeesdheid; timiditeit; geslotenheid; schuwheid)
    la gêne; la réserve; l'embarras; la timidité
    • gêne [la ~] zelfstandig naamwoord
    • réserve [la ~] zelfstandig naamwoord
    • embarras [le ~] zelfstandig naamwoord
    • timidité [la ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor schroom:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
embarras bedeesdheid; gegeneerdheid; geslotenheid; gêne; schroom; schuwheid; timiditeit; verlegenheid beschaamdheid; drukte; ergernis; gedoe; hinder; moeilijkheden; moeilijkheid; narigheid; obstructie; omhaal; ongemak; ongerief; overlast; penarie; probleem; problemen; rompslomp; schaamte; schaamtegevoel; sores; veel gedoe; verstopping in het lichaam; zorgen
frousse beschroomdheid; schroom
gêne bedeesdheid; gegeneerdheid; geslotenheid; gêne; schroom; schuwheid; timiditeit; verlegenheid belemmering; beletsel; ergernis; hinder; hindernis; klip; obstakel; obstructie; ongemak; ongerief; overlast; storing; verstopping in het lichaam
lâcheté beschroomdheid; schroom kleinhartigheid; lafheid; onedelmoedigheid
réserve bedeesdheid; geslotenheid; schroom; schuwheid; timiditeit; verlegenheid afgifte; bergplaats; bezorging; depot; geleverde; gematigdheid; gereserveerdheid; ingetogenheid; leverantie; levering; magazijn; matigheid; opslagplaats; opslagruimte; pakhuis; reservaat; stemmigheid; terughoudendheid; voorbehoud; voorraadmagazijn; voorraadschuur; warenhuis; wildpark; zedigheid
timidité bedeesdheid; beschroomdheid; geslotenheid; schroom; schuwheid; timiditeit; verlegenheid bleuheid; eenkennigheid; schroomvalligheid; schuchterheid; schuwheid

Verwante woorden van "schroom":


Wiktionary: schroom

schroom
noun
  1. Action de craindre
  2. état de celui qui est inquiet, qui n’a pas le repos moral.
  3. doute ou hésitation que l'on éprouve à la peur de mal faire ou d'être importun.