Overzicht


Nederlands

Uitgebreide synoniemen voor raaskallend in het Nederlands

raaskallend vorm van raaskallen:

raaskallen werkwoord (raaskal, raaskalt, raaskalde, raaskalden, geraaskald)

  1. raaskallen
    raaskallen; kletsen; onzin verkopen; ijlen; wartaal spreken; onzin uitkramen
    • raaskallen werkwoord (raaskal, raaskalt, raaskalde, raaskalden, geraaskald)
    • kletsen werkwoord (klets, kletst, kletste, kletsten, gekletst)
    • onzin verkopen werkwoord (verkoop onzin, verkoopt onzin, verkocht onzin, verkochten onzin, onzin verkocht)
    • ijlen werkwoord (ijl, ijlt, ijlde, ijlden, geijld)
    • wartaal spreken werkwoord
    • onzin uitkramen werkwoord

Conjugations for raaskallen:

o.t.t.
  1. raaskal
  2. raaskalt
  3. raaskalt
  4. raaskallen
  5. raaskallen
  6. raaskallen
o.v.t.
  1. raaskalde
  2. raaskalde
  3. raaskalde
  4. raaskalden
  5. raaskalden
  6. raaskalden
v.t.t.
  1. heb geraaskald
  2. hebt geraaskald
  3. heeft geraaskald
  4. hebben geraaskald
  5. hebben geraaskald
  6. hebben geraaskald
v.v.t.
  1. had geraaskald
  2. had geraaskald
  3. had geraaskald
  4. hadden geraaskald
  5. hadden geraaskald
  6. hadden geraaskald
o.t.t.t.
  1. zal raaskallen
  2. zult raaskallen
  3. zal raaskallen
  4. zullen raaskallen
  5. zullen raaskallen
  6. zullen raaskallen
o.v.t.t.
  1. zou raaskallen
  2. zou raaskallen
  3. zou raaskallen
  4. zouden raaskallen
  5. zouden raaskallen
  6. zouden raaskallen
diversen
  1. raaskal!
  2. raaskalt!
  3. geraaskald
  4. raaskallend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze