Remove Ads

Duits

Uitgebreide vertaling voor geschätzt (Duits) in het Nederlands

geschätzt:

geschätzt bijvoeglijk naamwoord

  1. geschätzt (ungefähr; plusminus; rund)
    ongeveer; ruwweg; omstreeks; circa; plusminus; pakweg
  2. geschätzt
    geschat
  3. geschätzt
    hooggeschat
  4. geschätzt (entschieden)
    gedetermineerd; bepaald
  5. geschätzt (sicher; entschieden; gewiß)
    bepaald; een zekere
  6. geschätzt (beliebt; in hohem Ansehen)
    gewaardeerd
  7. geschätzt (angesehen; gern gesehen; populär)
    welkome; geziene

Synoniemen voor "geschätzt":


schätzen:

schätzen werkwoord (schätze, schätzest, schätzt, schätzte, schätztet, geschätzt)

  1. schätzen (würdigen; respektieren; hochschätzen; )
    appreciëren; waarderen; op prijs stellen
    • appreciëren werkwoord (apprecieer, apprecieert, apprecieerde, apprecieerden, geapprecieerd)
    • waarderen werkwoord (waardeer, waardeert, waardeerde, waardeerden, gewaardeerd)
    • op prijs stellen werkwoord
  2. schätzen (taxieren)
    bepalen; inschatten; schatten; afwegen
    • bepalen werkwoord (bepaal, bepaalt, bepaalde, bepaalden, bepaalt)
    • inschatten werkwoord (schat in, schatte in, schatten in, ingeschat)
    • schatten werkwoord (schat, schatte, schatten, geschat)
    • afwegen werkwoord (weeg af, weegt af, woog af, wogen af, afgewogen)
  3. schätzen (mutmaßen; glauben; vermuten; annehmen; Vermutung anstellen)
    raden; gissen; gissing maken
    • raden werkwoord (raad, raadt, ried, rieden, geraden)
    • gissen werkwoord (gis, gist, giste, gisten, gegist)
    • gissing maken werkwoord
  4. schätzen (taxieren; voranschlagen)
    schatten; beramen; ramen; taxeren
    • schatten werkwoord (schat, schatte, schatten, geschat)
    • beramen werkwoord (beraam, beraamt, beraamde, beraamden, beraamd)
    • ramen werkwoord (raam, raamt, raamde, raamden, geraamd)
    • taxeren werkwoord (taxeer, taxeert, taxeerde, taxeerden, getaxeerd)
  5. schätzen (vorwerfen; verweisen; rügen; )
    beschuldigen; verwijten; aanrekenen; voorhouden; blameren; voor de voeten gooien; berispen; aanwrijven; laken; nadragen; gispen
    • beschuldigen werkwoord (beschuldig, beschuldigt, beschuldigde, beschuldigden, beschuldigd)
    • verwijten werkwoord (verwijt, verweet, verweten, verweten)
    • aanrekenen werkwoord (reken aan, rekent aan, rekende aan, rekenden aan, aangerekend)
    • voorhouden werkwoord (houd voor, houdt voor, hield voor, hielden voor, voorgehouden)
    • blameren werkwoord (blameer, blameert, blameerde, blameerden, geblameerd)
    • berispen werkwoord (berisp, berispt, berispte, berispten, berispt)
    • aanwrijven werkwoord
    • laken werkwoord (laak, laakt, laakte, laakten, gelaakt)
    • nadragen werkwoord (draag na, draagt na, droeg na, droegen na, nagedragen)
    • gispen werkwoord (gisp, gispt, gispte, gispten, gegispt)
  6. schätzen (glauben; annehmen; denken)
    geloven; aannemen
    • geloven werkwoord (geloof, gelooft, geloofde, geloofden, geloofd)
    • aannemen werkwoord (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
  7. schätzen (sich lobend ausdrücken; preisen; in den Himmel heben; )
    loven; prijzen; roemen; zich lovend uitlaten; vereren
    • loven werkwoord (loof, looft, loofde, loofden, geloofd)
    • prijzen werkwoord (prijs, prijst, prijsde, prijsden, geprijsd)
    • roemen werkwoord (roem, roemt, roemde, roemden, geroemd)
    • vereren werkwoord (vereer, vereert, vereerde, vereerden, vereerd)
  8. schätzen (hochachten; respektieren; achten; )
    respecteren; eerbiedigen; hoogschatten; achten; hoogachten
    • respecteren werkwoord (respecteer, respecteert, respecteerde, respecteerden, gerespecteerd)
    • eerbiedigen werkwoord (eerbiedig, eerbiedigt, eerbiedigde, eerbiedigden, eerbiedigd)
    • hoogschatten werkwoord (schat hoog, schatte hoog, schatten hoog, gehoogschat)
    • achten werkwoord (acht, achtte, achtten, geacht)
    • hoogachten werkwoord (acht hoog, achtte hoog, achtten hoog, hooggeacht)
  9. schätzen (voraussetzen; annehmen; denken; glauben)
    veronderstellen; aannemen; uitgaan van
    • veronderstellen werkwoord (veronderstel, veronderstelt, veronderstelde, veronderstelden, verondersteld)
    • aannemen werkwoord (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
    • uitgaan van werkwoord
  10. schätzen (vorschlagen; raten; suggerieren; )
    adviseren; suggereren; raden; ingeven; iets aanraden
    • adviseren werkwoord (adviseer, adviseert, adviseerde, adviseerden, geadviseerd)
    • suggereren werkwoord (suggereer, suggereert, suggereerde, suggereerden, gesuggereerd)
    • raden werkwoord (raad, raadt, ried, rieden, geraden)
    • ingeven werkwoord (geef in, geeft in, gaf in, gaven in, ingegeven)
    • iets aanraden werkwoord
  11. schätzen (abwägen; veranschlagen; überschlagen; )
    overwegen; afwegen; overdenken
    • overwegen werkwoord (overweeg, overweegt, overwoog, overwogen, overwogen)
    • afwegen werkwoord (weeg af, weegt af, woog af, wogen af, afgewogen)
    • overdenken werkwoord (overdenk, overdenkt, overdacht, overdachten, overdacht)
  12. schätzen (vermuten; annehmen; postulieren; mutmaßen)
    vooronderstellen; postuleren
    • vooronderstellen werkwoord (vooronderstel, vooronderstelt, vooronderstelde, vooronderstelden, voorondersteld)
    • postuleren werkwoord (postuleer, postuleert, postuleerde, postuleerden, gepostuleerd)

Conjugations for schätzen:

Präsens
  1. schätze
  2. schätzest
  3. schätzt
  4. schätzen
  5. schätzt
  6. schätzen
Imperfekt
  1. schätzte
  2. schätztest
  3. schätzte
  4. schätzten
  5. schätztet
  6. schätzten
Perfekt
  1. habe geschätzt
  2. hast geschätzt
  3. hat geschätzt
  4. haben geschätzt
  5. habt geschätzt
  6. haben geschätzt
1. Konjunktiv [1]
  1. schätze
  2. schätzest
  3. schätze
  4. schätzen
  5. schätzet
  6. schätzen
2. Konjunktiv
  1. schätzte
  2. schätztest
  3. schätzte
  4. schätzten
  5. schätztet
  6. schätzten
Futur 1
  1. werde schätzen
  2. wirst schätzen
  3. wird schätzen
  4. werden schätzen
  5. werdet schätzen
  6. werden schätzen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde schätzen
  2. würdest schätzen
  3. würde schätzen
  4. würden schätzen
  5. würdet schätzen
  6. würden schätzen
Diverses
  1. schätz!
  2. schätzt!
  3. schätzen Sie!
  4. geschätzt
  5. schätzend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synoniemen voor "schätzen":


Computer vertaling door derden:
Images:


Remove Ads

Remove Ads