Remove Ads

Frans

Uitgebreide vertaling voor sens (Frans) in het Nederlands

sens:

sens [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. le sens (utilité; avantage)
    het doel; het nut; de zin
    • doel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • nut [het ~] zelfstandig naamwoord
    • zin [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. le sens (direction; orientation; route)
    de richting; de koers
    • richting [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • koers [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  3. le sens (portée; contenance; contenu; intention)
    de betekenis; de inhoud
    • betekenis [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • inhoud [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  4. le sens
    de betekenis
  5. le sens
    het orgaan; het zintuig
    • orgaan [het ~] zelfstandig naamwoord
    • zintuig [het ~] zelfstandig naamwoord
  6. le sens (sentiment; émotion; sensibilité; mouvement d'âme)
    het sentiment; het gevoel
    • sentiment [het ~] zelfstandig naamwoord
    • gevoel [het ~] zelfstandig naamwoord
  7. le sens (intention; signification; but; dimension; portée)
    de betekenis; de bedoeling; beduidenis; beduiding
  8. le sens (format; dimension; taille; )
    de dimensie; de omvang; de grootte; de maat; de afmeting; het formaat
    • dimensie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • omvang [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • grootte [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • maat [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • afmeting [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • formaat [het ~] zelfstandig naamwoord
  9. le sens (importance; signification)
    het belang; de gewichtigheid
  10. le sens (teneur; tendance; esprit; )
    de teneur; de geest; de strekking
    • teneur [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • geest [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • strekking [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

Synoniemen voor "sens":


sens vorm van sentir:

sentir werkwoord

  1. sentir (saisir par la perception; percevoir)
    voelen; iets voelen
  2. sentir (subir; éprouver; ressentir; )
    ondervinden; ervaren; beleven; gewaarworden; voelen
    • ondervinden werkwoord (ondervind, ondervindt, ondervond, ondervonden, ondervonden)
    • ervaren werkwoord (ervaar, ervaart, ervaarde, ervaarden, ervaard)
    • beleven werkwoord (beleef, beleeft, beleefde, beleefden, beleefd)
    • gewaarworden werkwoord (word gewaar, wordt gewaar, werd gewaar, werden gewaar, gewaargeworden)
    • voelen werkwoord (voel, voelt, voelde, voelden, gevoeld)
  3. sentir (pressentir; ressentir; apercevoir; éprouver; se rendre compte de)
    aanvoelen; voorvoelen
    • aanvoelen werkwoord (voel aan, voelt aan, voelde aan, voelden aan, aangevoeld)
    • voorvoelen werkwoord (voorvoel, voorvoelt, voorvoelde, voorvoelden, voorvoeld)

Conjugations for sentir:

Présent
  1. sens
  2. sens
  3. sent
  4. sentons
  5. sentez
  6. sentent
imparfait
  1. sentais
  2. sentais
  3. sentait
  4. sentions
  5. sentiez
  6. sentaient
passé simple
  1. sentis
  2. sentis
  3. sentit
  4. sentîmes
  5. sentîtes
  6. sentirent
futur simple
  1. sentirai
  2. sentiras
  3. sentira
  4. sentirons
  5. sentirez
  6. sentiront
subjonctif présent
  1. que je sente
  2. que tu sentes
  3. qu'il sente
  4. que nous sentions
  5. que vous sentiez
  6. qu'ils sentent
conditionnel présent
  1. sentirais
  2. sentirais
  3. sentirait
  4. sentirions
  5. sentiriez
  6. sentiraient
passé composé
  1. ai senti
  2. as senti
  3. a senti
  4. avons senti
  5. avez senti
  6. ont senti
divers
  1. sens!
  2. sentez!
  3. sentons!
  4. senti
  5. sentant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synoniemen voor "sentir":


Computer vertaling door derden:
Images:

Verwante vertalingen van sens



Remove Ads

Remove Ads