Uitgebreide vertaling voor organize (Engels) in het Nederlands


to organize werkwoord, Amerikaans (organizes, organized, organizing)

  1. to organize (catalogue; order; organise)
    organiseren; ordenen; catalogiseren
    • organiseren werkwoord (organiseer, organiseert, organiseerde, organiseerden, georganiseerd)
    • ordenen werkwoord (orden, ordent, ordende, ordenden, geordend)
    • catalogiseren werkwoord (catalogiseer, catalogiseert, catalogiseerde, catalogiseerden, gecatalogiseerd)
  2. to organize (archivate; store; file; document; organise)
    archiveren; opslaan; opbergen; bewaren
    • archiveren werkwoord (archiveer, archiveert, archiveerde, archiveerden, gearchiveerd)
    • opslaan werkwoord (sla op, slaat op, sloeg op, sloegen op, opgeslagen)
    • opbergen werkwoord (berg op, bergt op, borg op, borgen op, opgeborgen)
    • bewaren werkwoord (bewaar, bewaart, bewaarde, bewaarden, bewaard)
  3. to organize (coordinate; arrange; organise)
    • coördineren werkwoord (coördineer, coördineert, coördineerde, coördineerden, gecoördineerd)
  4. to organize (home decorating; arrange; organise)

Conjugations for organize:

  1. organize
  2. organize
  3. organizes
  4. organize
  5. organize
  6. organize
simple past
  1. organized
  2. organized
  3. organized
  4. organized
  5. organized
  6. organized
present perfect
  1. have organized
  2. have organized
  3. has organized
  4. have organized
  5. have organized
  6. have organized
past continuous
  1. was organizing
  2. were organizing
  3. was organizing
  4. were organizing
  5. were organizing
  6. were organizing
  1. shall organize
  2. will organize
  3. will organize
  4. shall organize
  5. will organize
  6. will organize
continuous present
  1. am organizing
  2. are organizing
  3. is organizing
  4. are organizing
  5. are organizing
  6. are organizing
  1. be organized
  2. be organized
  3. be organized
  4. be organized
  5. be organized
  6. be organized
  1. organize!
  2. let's organize!
  3. organized
  4. organizing
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor organize:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bewaren saving; storing
ordenen arrangement; ordening
organiseren organizing
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
archiveren archivate; document; file; organise; organize; store archive
bewaren archivate; document; file; organise; organize; store conserve; guard from; keep; lay aside; lay up; preserve; put away; put up; save; secure; shield; stock; store
catalogiseren catalogue; order; organise; organize
coördineren arrange; coordinate; organise; organize
huis inrichten arrange; home decorating; organise; organize
opbergen archivate; document; file; organise; organize; store lock up; put away; store; stow away
opslaan archivate; document; file; organise; organize; store lay up; put up; record; remember; save; secure; stock; store
ordenen catalogue; order; organise; organize arrange; assort; classify; group; list all the points; select; shunt; sift; sort out
organiseren catalogue; order; organise; organize
- coordinate; devise; direct; engineer; form; get up; machinate; mastermind; orchestrate; organise; prepare; unionise; unionize
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- arrange; dish up; organise; put down; put up; shorten

Verwante woorden van "organize":

Synoniemen voor "organize":

Antoniemen van "organize":

Verwante definities voor "organize":

  1. bring order and organization to1
    • Can you help me organize my files?1
  2. plan and direct (a complex undertaking)1
  3. arrange by systematic planning and united effort1
    • organize a strike1
  4. cause to be structured or ordered or operating according to some principle or idea1
  5. form or join a union1
  6. create (as an entity)1

Wiktionary: organize

  1. to arrange in working order
  2. to constitute in parts, each having a special function; to systematize
  1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
  3. zorgen dat het gebeurt

Cross Translation:
organize beleggen; houden; teweegbrengen; uitschrijven; aandoen; aanrichten; stichten; veroorzaken causerêtre cause de ; occasionner, provoquer.
organize regelen; organiseren; uitschrijven organiserdisposer les parties d’un corps pour les fonctions auxquelles il destiner.
organize bemiddelen; beleggen; houden; teweegbrengen; uitschrijven; aandoen; aanrichten; stichten; veroorzaken; uitreiken; verschaffen; verstrekken procurerfaire obtenir à une personne quelque avantage par son crédit, par ses soins.
organize beleggen; houden; teweegbrengen; uitschrijven; leggen; plaatsen; situeren; stationeren; identificeren; vereenzelvigen situerplacer, poser en certain endroit par rapport à l’exposition, à l’aspect, au voisinage, etc.