Engels

Uitgebreide vertaling voor defining (Engels) in het Nederlands

defining:

defining bijvoeglijk naamwoord

  1. defining (specifying)
    definiërend; omschrijvend

defining [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the defining (discipline; ordinance; determination; )
    de discipline; de onderwerping; de gehoorzaamheid; de orde; de dwang; de tucht

Vertaal Matrix voor defining:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
discipline by-law; decision; defining; determination; discipline; fixing; ordinance; regulation; regulations; rules; submission discipline; science discipline
dwang by-law; decision; defining; determination; discipline; fixing; ordinance; regulation; regulations; rules; submission compulsion; enforcement; pressure
gehoorzaamheid by-law; decision; defining; determination; discipline; fixing; ordinance; regulation; regulations; rules; submission docility; obedience; submission
onderwerping by-law; decision; defining; determination; discipline; fixing; ordinance; regulation; regulations; rules; submission docility; obedience; submission
orde by-law; decision; defining; determination; discipline; fixing; ordinance; regulation; regulations; rules; submission association; circle; class; club; corporation; craft; craft guild; craft union; guild; order; position; prescription; professional organisation; professional organization; recommendation; regularity; regulation; social class; social group; social position; society; union
tucht by-law; decision; defining; determination; discipline; fixing; ordinance; regulation; regulations; rules; submission
- shaping
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
definiërend defining; specifying
omschrijvend defining; specifying

Verwante woorden van "defining":


Synoniemen voor "defining":


Verwante definities voor "defining":

  1. any process serving to define the shape of something1

define:

to define werkwoord (defines, defined, defining)

  1. to define (determine; outline)
    definiëren; bepalen; omschrijven
    • definiëren werkwoord (definieer, definieert, definieerde, definieerden, gedefinieerd)
    • bepalen werkwoord (bepaal, bepaalt, bepaalde, bepaalden, bepaalt)
    • omschrijven werkwoord (omschrijf, omschrijft, omschreef, omschreven, omschreven)
  2. to define (pinpoint; indicate; point out; )
    aanduiden; indiceren; aangeven; wijzen; iets aanwijzen
    • aanduiden werkwoord (duid aan, duidt aan, duidde aan, duidden aan, aangeduid)
    • indiceren werkwoord (indiceer, indiceert, indiceerde, indiceerden, geïndiceerd)
    • aangeven werkwoord (geef aan, geeft aan, gaf aan, gaven aan, aangegeven)
    • wijzen werkwoord (wijs, wijst, wees, wezen, gewezen)
    • iets aanwijzen werkwoord
  3. to define (tell; say; expound; )
    zeggen; vertellen; uiteenzetten; verhalen; mededelen
    • zeggen werkwoord (zeg, zeg/zegt, zegt, zei, zeiden, gezegd)
    • vertellen werkwoord (vertel, vertelt, vertelde, vertelden, verteld)
    • uiteenzetten werkwoord (zet uiteen, zette uiteen, zetten uiteen, uiteengezet)
    • verhalen werkwoord (verhaal, verhaalt, verhaalde, verhaalden, verhaald)
    • mededelen werkwoord (deel mede, deelt mede, deelde mede, deelden mede, medegedeeld)
    beschrijven
    – precies vertellen hoe het eruitziet of hoe het ging 2
    • beschrijven werkwoord (beschrijf, beschrijft, beschreef, beschrijfden, beschreven)
      • de nieuwslezer beschreef de gebeurtenissen2
  4. to define (characterize; depict; mark; describe; characterise)
    – determine the essential quality of 1
    karakteriseren; kenmerken; kenschetsen; typeren
    • karakteriseren werkwoord (karakteriseer, karakteriseert, karakteriseerde, karakteriseerden, gekarakteriseerd)
    • kenmerken werkwoord (kenmerk, kenmerkt, kenmerkte, kenmerkten, gekenmerkt)
    • kenschetsen werkwoord (kenschets, kenschetst, kenschetste, kenschetsten, gekenschetst)
    • typeren werkwoord (typeer, typeert, typeerde, typeerden, getypeerd)
  5. to define (demarcate; outline; fence off; )
    begrenzen; afbakenen; afzetten; omlijnen; afpalen
    • begrenzen werkwoord (begrens, begrenst, begrenste, begrensten, begrenst)
    • afbakenen werkwoord (baken af, bakent af, bakende af, bakenden af, afgebakend)
    • afzetten werkwoord (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • omlijnen werkwoord (omlijn, omlijnt, omlijnde, omlijnden, omlijnd)
    • afpalen werkwoord (paal af, paalt af, paalde af, paalden af, afgepaald)
  6. to define (state precisely)
    preciseren; nader omschrijven

Conjugations for define:

present
  1. define
  2. define
  3. defines
  4. define
  5. define
  6. define
simple past
  1. defined
  2. defined
  3. defined
  4. defined
  5. defined
  6. defined
present perfect
  1. have defined
  2. have defined
  3. has defined
  4. have defined
  5. have defined
  6. have defined
past continuous
  1. was defining
  2. were defining
  3. was defining
  4. were defining
  5. were defining
  6. were defining
future
  1. shall define
  2. will define
  3. will define
  4. shall define
  5. will define
  6. will define
continuous present
  1. am defining
  2. are defining
  3. is defining
  4. are defining
  5. are defining
  6. are defining
subjunctive
  1. be defined
  2. be defined
  3. be defined
  4. be defined
  5. be defined
  6. be defined
diverse
  1. define!
  2. let's define!
  3. defined
  4. defining
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor define:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanduiden indicating; pointing out; showing
aangeven declaration
afbakenen fencing off
afpalen fencing off
afzetten amputating; amputation; removing; taking
bepalen declaring; decreeing; determine; dictating; ordering; prescribe; requiring
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanduiden define; indicate; pinpoint; point; point out; point to; show
aangeven define; indicate; pinpoint; point; point out; point to; show betray; declare; delate; deliver up; extend; give; give away; give to; hand; hand over; inform against; offer; pass; peach; present with; squeak; squeal
afbakenen clearly define; define; demarcate; fence; fence in; fence off; map out; mark out; outline; trace out
afpalen clearly define; define; demarcate; fence; fence in; fence off; map out; mark out; outline; trace out
afzetten clearly define; define; demarcate; fence; fence in; fence off; map out; mark out; outline; trace out amputate; be deceived; be duped; border; bring to a halt; bring to a standstill; cheat; deceive; diddle; disconnect; dodge; drop; drop off somewhere; edge; extinguish; fool; halt; hoodwink; lie; make out; matter; put down; put out; put someone off; set out; stop; swindle; switch off; trick; turn off; woodwink
begrenzen clearly define; define; demarcate; fence; fence in; fence off; map out; mark out; outline; trace out bound; enclose; end; limit; surround
bepalen define; determine; outline assess; calculate; determine; establish; estimate; identify
beschrijven cover; define; depict; describe; explain; expound; recount; report; say; tell describe; outline; reproduce; sketch
definiëren define; determine; outline
iets aanwijzen define; indicate; pinpoint; point; point out; point to; show
indiceren define; indicate; pinpoint; point; point out; point to; show
karakteriseren characterise; characterize; define; depict; describe; mark characterise; characterize; mark; typify
kenmerken characterise; characterize; define; depict; describe; mark characterise; characterize; mark; typify
kenschetsen characterise; characterize; define; depict; describe; mark characterise; characterize; mark; typify
mededelen cover; define; depict; describe; explain; expound; recount; report; say; tell
nader omschrijven define; state precisely
omlijnen clearly define; define; demarcate; fence; fence in; fence off; map out; mark out; outline; trace out
omschrijven define; determine; outline describe; outline; sketch
preciseren define; state precisely compute; draw up; elaborate; work out
typeren characterise; characterize; define; depict; describe; mark characterise; characterize; mark; typify
uiteenzetten cover; define; depict; describe; explain; expound; recount; report; say; tell clarify; explain; make clear; make explicit; place apart; put apart
verhalen cover; define; depict; describe; explain; expound; recount; report; say; tell narrate; report; tell
vertellen cover; define; depict; describe; explain; expound; recount; report; say; tell bring something up; narrate; report; tell; ventilate
wijzen define; indicate; pinpoint; point; point out; point to; show draw attention to; indicate; point; point out; show; signal
zeggen cover; define; depict; describe; explain; expound; recount; report; say; tell bring something up; call attention to; indicate; inform; instil; instill; make known; point out; tell; ventilate
- delimit; delimitate; delineate; determine; fix; limit; set; specify

Verwante woorden van "define":


Synoniemen voor "define":


Verwante definities voor "define":

  1. decide upon or fix definitely1
  2. give a definition for the meaning of a word1
  3. determine the essential quality of1
  4. determine the nature of1
    • What defines a good wine?1
  5. show the form or outline of1
    • The tree was clearly defined by the light1
    • The camera could define the smallest object1

Wiktionary: define

define
verb
  1. state meaning of
  2. to determine
define
verb
  1. (overgankelijk) de aard van iets in een omschrijving vastleggen

Cross Translation:
FromToVia
define definiëren definierenWissenschaft: die Bedeutung eines Begriffs genau festlegen
define definiëren définir — Déterminer avec précision un être, une chose, en donner la définition
define bepalen; bevestigen; fixeren; tuigeren; vastmaken; vaststellen; definiëren; omschrijven fixerattacher, affermir, rendre immobile, maintenir en place.