Engels

Uitgebreide vertaling voor hailing (Engels) in het Nederlands

hailing:

hailing [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the hailing (call; calling)
    praaien; aanroepen

Vertaal Matrix voor hailing:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanroepen call; calling; hailing
praaien call; calling; hailing
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanroepen appeal to; call; call in; call out to; cry out to; enlist; hail; invoke; shout; speak
praaien call; hail; shout; speak

Verwante woorden van "hailing":


hailing vorm van hail:

to hail werkwoord (hails, hailed, hailing)

  1. to hail (welcome; bid welcome)
    groeten; gedag zeggen; begroeten
    • groeten werkwoord (groet, groette, groetten, gegroet)
    • gedag zeggen werkwoord
    • begroeten werkwoord (begroet, begroette, begroetten, begroet)
  2. to hail (welcome; bid welcome)
    verwelkomen; welkom heten
    • verwelkomen werkwoord (verwelkom, verwelkomt, verwelkomde, verwelkomden, verwelkomd)
    • welkom heten werkwoord (heet welkom, heette welkom, heetten welkom, welkom geheten)
  3. to hail
    hagelen
    • hagelen werkwoord (hagelt, hagelde, gehageld)
  4. to hail (call; speak; shout)
    praaien; aanroepen
    • praaien werkwoord (praai, praait, praaide, praaiden, gepraaid)
    • aanroepen werkwoord (roep aan, roept aan, riep aan, riepen aan, aangeroepen)

Conjugations for hail:

present
  1. hail
  2. hail
  3. hails
  4. hail
  5. hail
  6. hail
simple past
  1. hailed
  2. hailed
  3. hailed
  4. hailed
  5. hailed
  6. hailed
present perfect
  1. have hailed
  2. have hailed
  3. has hailed
  4. have hailed
  5. have hailed
  6. have hailed
past continuous
  1. was hailing
  2. were hailing
  3. was hailing
  4. were hailing
  5. were hailing
  6. were hailing
future
  1. shall hail
  2. will hail
  3. will hail
  4. shall hail
  5. will hail
  6. will hail
continuous present
  1. am hailing
  2. are hailing
  3. is hailing
  4. are hailing
  5. are hailing
  6. are hailing
subjunctive
  1. be hailed
  2. be hailed
  3. be hailed
  4. be hailed
  5. be hailed
  6. be hailed
diverse
  1. hail!
  2. let's hail!
  3. hailed
  4. hailing
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor hail:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanroepen call; calling; hailing
groeten greeting
praaien call; calling; hailing
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanroepen call; hail; shout; speak appeal to; call; call in; call out to; cry out to; enlist; invoke
begroeten bid welcome; hail; welcome
gedag zeggen bid welcome; hail; welcome
groeten bid welcome; hail; welcome greet; salute
hagelen hail
praaien call; hail; shout; speak
verwelkomen bid welcome; hail; welcome
welkom heten bid welcome; hail; welcome
- acclaim; come; herald

Verwante woorden van "hail":


Synoniemen voor "hail":


Verwante definities voor "hail":

  1. enthusiastic greeting1
  2. many objects thrown forcefully through the air1
    • a hail of pebbles1
    • a hail of bullets1
  3. precipitation of ice pellets when there are strong rising air currents1
  4. praise vociferously1
    • The critics hailed the young pianist as a new Rubinstein1
  5. greet enthusiastically or joyfully1
  6. call for1
    • hail a cab1
  7. be a native of1
    • She hails from Kalamazoo1
  8. precipitate as small ice particles1
    • It hailed for an hour1

Wiktionary: hail

hail
verb
  1. to greet
  2. said when hail is falling
noun
  1. balls of ice
hail
noun
  1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
verb
  1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen

Cross Translation:
FromToVia
hail hagel Hagel — aus meist kleinen Eisklumpen bestehender Niederschlag
hail hagelen hagelnes hagelt = Hagel fällt
hail bij acclamatie benoemen tot; toejuichen; zijn bijval betuigen; uitroepen tot acclamersaluer par des acclamations.
hail groeten; begroeten; genieten; krijgen; ontvangen; toucheren; accepteren; aannemen accueillir — Traductions à trier suivant le sens
hail hagel grêlepluie qui tomber sous forme de petits blocs de glace.
hail hagelen grêlertomber, en parlant de la grêle.
hail halen haler — marine|fr tirer à soi avec force à l’aide d’un cordage.
hail aanroepen; oproepen; praaien invoquerappeler à son secours, à son aide, par une prière.
hail groeten; begroeten saluerdonner à quelqu’un une marque extérieure de civilité, de déférence ou de respect, en l’aborder, en le rencontrer, en le quitter.