Engels

Uitgebreide vertaling voor provoking (Engels) in het Nederlands

provoking:

provoking bijvoeglijk naamwoord

  1. provoking (provocative; defiant; daring; ostentatious)
    uitdagend; provocerend
  2. provoking (exasperating; tantalizing; annoying; )
    tergend; treiterig
  3. provoking (defying; defiant; facing; braving)
    tartend; trotserend

provoking [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the provoking (alluring)
    uitlokken; provoceren

provoking werkwoord

  1. provoking (alluring; flirt)
    flirten
    • flirten werkwoord (flirt, flirtte, flirtten, geflirt)

Vertaal Matrix voor provoking:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
provoceren alluring; provoking
uitlokken alluring; provoking
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
flirten alluring; flirt; provoking be on the make; dally; flirt; fool around
provoceren arouse; badger; bait; give rise to; needle; provoke; put someone on to something; stimulate; urge
uitlokken badger; bait; give rise to; needle; provoke
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
provocerend daring; defiant; ostentatious; provocative; provoking
tergend annoying; exasperating; nagging; provoking; tantalising; tantalizing; tormenting
treiterig annoying; exasperating; nagging; provoking; tantalising; tantalizing; tormenting
uitdagend daring; defiant; ostentatious; provocative; provoking
- agitating; agitative
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- annoying; vexatious
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
tartend braving; defiant; defying; facing; provoking defiant; exceeding
trotserend braving; defiant; defying; facing; provoking

Verwante woorden van "provoking":


Synoniemen voor "provoking":


Verwante definities voor "provoking":

  1. causing or tending to cause anger or resentment1
    • a provoking delay at the airport1

provoking vorm van provoke:

to provoke werkwoord (provokes, provoked, provoking)

  1. to provoke (give rise to; badger; needle; bait)
    aanleiding geven tot; provoceren; uitlokken; ophitsen; uitdagen
    • aanleiding geven tot werkwoord (geef aanleiding tot, geeft aanleiding tot, gaf aanleiding tot, gaven aanleiding tot, aanleiding gegeven tot)
    • provoceren werkwoord (provoceer, provoceert, provoceerde, provoceerden, geprovoceerd)
    • uitlokken werkwoord (lok uit, lokt uit, lokte uit, lokten uit, uitgelokt)
    • ophitsen werkwoord (hits op, hitst op, hitste op, hitsten op, opgehitst)
    • uitdagen werkwoord (daag uit, daagt uit, daagde uit, daagden uit, uitgedaagd)
  2. to provoke (pester; tease; bully; )
    pesten; plagen; koeioneren; kwellen; treiteren; tergen; narren; tarten; sarren
    • pesten werkwoord (pest, pestte, pestten, gepest)
    • plagen werkwoord (plaag, plaagt, plaagde, plaagden, geplaagd)
    • koeioneren werkwoord (koeioneer, koeioneert, koeioneerde, koeioneerden, gekoeioneerd)
    • kwellen werkwoord (kwel, kwelt, kwelde, kwelden, gekweld)
    • treiteren werkwoord (treiter, treitert, treiterde, treiterden, getreiterd)
    • tergen werkwoord (terg, tergt, tergde, tergden, getergd)
    • narren werkwoord
    • tarten werkwoord (tart, tartte, tartten, getart)
    • sarren werkwoord (sar, sart, sarde, sarden, sarde)
  3. to provoke (put someone on to something; urge; arouse; stimulate)
    aanzetten tot; provoceren; instigeren
    • aanzetten tot werkwoord
    • provoceren werkwoord (provoceer, provoceert, provoceerde, provoceerden, geprovoceerd)
    • instigeren werkwoord (instigeer, instigeert, instigeerde, instigeerden, geïnstigeerd)
  4. to provoke (tease)
    ontlokken
    • ontlokken werkwoord (ontlok, ontlokt, ontlokte, ontlokten, ontlokt)
  5. to provoke (create; engender; cause; give rise to; produce)
    verwekken
    • verwekken werkwoord (verwek, verwekt, verwekte, verwekten, verwekt)

Conjugations for provoke:

present
  1. provoke
  2. provoke
  3. provokes
  4. provoke
  5. provoke
  6. provoke
simple past
  1. provoked
  2. provoked
  3. provoked
  4. provoked
  5. provoked
  6. provoked
present perfect
  1. have provoked
  2. have provoked
  3. has provoked
  4. have provoked
  5. have provoked
  6. have provoked
past continuous
  1. was provoking
  2. were provoking
  3. was provoking
  4. were provoking
  5. were provoking
  6. were provoking
future
  1. shall provoke
  2. will provoke
  3. will provoke
  4. shall provoke
  5. will provoke
  6. will provoke
continuous present
  1. am provoking
  2. are provoking
  3. is provoking
  4. are provoking
  5. are provoking
  6. are provoking
subjunctive
  1. be provoked
  2. be provoked
  3. be provoked
  4. be provoked
  5. be provoked
  6. be provoked
diverse
  1. provoke!
  2. let's provoke!
  3. provoked
  4. provoking
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor provoke:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
instigeren arousing; awaking; instigation
ophitsen incitement; instigation; stirring up
plagen torments
provoceren alluring; provoking
treiteren tormenting
uitlokken alluring; provoking
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanleiding geven tot badger; bait; give rise to; needle; provoke
aanzetten tot arouse; provoke; put someone on to something; stimulate; urge
instigeren arouse; provoke; put someone on to something; stimulate; urge
koeioneren antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease
kwellen antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease aggrieve; hurt; offend; torment; torture
narren antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease
ontlokken provoke; tease
ophitsen badger; bait; give rise to; needle; provoke bait; chase; incite; instigate; stir up
pesten antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease nag
plagen antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease nag
provoceren arouse; badger; bait; give rise to; needle; provoke; put someone on to something; stimulate; urge
sarren antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease nag
tarten antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease nag
tergen antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease nag
treiteren antagonise; antagonize; bully; harass; pester; provoke; tease nag
uitdagen badger; bait; give rise to; needle; provoke nag
uitlokken badger; bait; give rise to; needle; provoke
verwekken cause; create; engender; give rise to; produce; provoke
- arouse; call forth; elicit; enkindle; evoke; fire; kick up; kindle; raise; stimulate
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- anger; annoy; be nasty to

Verwante woorden van "provoke":


Synoniemen voor "provoke":


Verwante definities voor "provoke":

  1. provide the needed stimulus for1
  2. evoke or provoke to appear or occur1
    • Her behavior provoked a quarrel between the couple1
  3. call forth (emotions, feelings, and responses)1

Wiktionary: provoke

provoke
verb
  1. to cause to become angry
provoke
verb
  1. teweegbrengen
  2. (overgankelijk) tarten, uitdagen
  3. iemands geduld op de proef stellen door hem te irriteren

Cross Translation:
FromToVia
provoke stoken; ontketenen entfachenübertragen: Begierden oder heftige Gefühle erregen; eine Auseinandersetzung provozieren
provoke provoceren provozieren — (transitiv) (zu einer unüberlegten Handlung oder Reaktion) herausfordern, reizen
provoke ergeren; verontwaardigen; aanstoken; irriteren; ophitsen; op stang jagen; prikkelen; sarren; plagen; agaceren agaceraffecter d’une irritation nerveuse.
provoke beleggen; houden; teweegbrengen; uitschrijven; aandoen; aanrichten; stichten; veroorzaken causerêtre cause de ; occasionner, provoquer.
provoke aandoen; aanrichten; stichten; teweegbrengen; veroorzaken; determineren; nauwkeurig bepalen; belezen; bewegen; doen besluiten; overhalen déterminerfixer les limites de, délimiter précisément.
provoke ergeren; verontwaardigen indigner — Remplir d’indignation
provoke aanstoken; irriteren; ophitsen; op stang jagen; prikkelen; sarren irritermettre en colère.
provoke provoceren; tarten; tergen; uitdagen; uitlokken; uittarten provoquerinciter, exciter.
provoke beleggen; houden; teweegbrengen; uitschrijven; leggen; plaatsen; situeren; stationeren; identificeren; vereenzelvigen situerplacer, poser en certain endroit par rapport à l’exposition, à l’aspect, au voisinage, etc.