Engels

Uitgebreide vertaling voor spoke (Engels) in het Nederlands

spoke:

spoke [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the spoke
    de spaak
    • spaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  2. the spoke
    wielspaak; spaak van een fietswiel

Vertaal Matrix voor spoke:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
spaak spoke
spaak van een fietswiel spoke
wielspaak spoke
- radius; rundle; rung; wheel spoke

Verwante woorden van "spoke":

  • spokes

Synoniemen voor "spoke":


Verwante definities voor "spoke":

  1. one of the crosspieces that form the steps of a ladder1
  2. support consisting of a radial member of a wheel joining the hub to the rim1

Wiktionary: spoke

spoke
noun
  1. part of a wheel
spoke
noun
  1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt

Cross Translation:
FromToVia
spoke spaake rayon — Baguette qui relie le moyeu à la jante de la roue.

spoke vorm van speak:

to speak werkwoord (speaks, spoke, speaking)

  1. to speak (have a conversation; communicate; converse; talk)
    spreken; praten; in contact staan; een conversatie hebben; communiceren
    • spreken werkwoord
    • praten werkwoord (praat, praatte, praatten, gepraat)
    • in contact staan werkwoord (sta in contact, staat in contact, stond in contact, stonden in contact, in contact gestaan)
    • een conversatie hebben werkwoord (heb een conversatie, hebt een conversatie, heeft een conversatie, had een conversatie, hadden een conversatie, een conversatie gehad)
    • communiceren werkwoord (communiceer, communiceert, communiceerde, communiceerden, gecommuniceerd)
  2. to speak (talk; rattle; blab; )
    spreken; wauwelen; praten; babbelen; kwebbelen; kletsen; zwammen; kakelen; kwetteren; klappen; kwekken; snateren
    • spreken werkwoord
    • wauwelen werkwoord (wauwel, wauwelt, wauwelde, wauwelden, gewauweld)
    • praten werkwoord (praat, praatte, praatten, gepraat)
    • babbelen werkwoord (babbel, babbelt, babbelde, babbelden, gebabbeld)
    • kwebbelen werkwoord (kwebbel, kwebbelt, kwebbelde, kwebbelden, gekwebbeld)
    • kletsen werkwoord (klets, kletst, kletste, kletsten, gekletst)
    • zwammen werkwoord (zwam, zwamt, zwamde, zwamden, gezwamd)
    • kakelen werkwoord (kakel, kakelt, kakelde, kakelden, gekakeld)
    • kwetteren werkwoord (kwetter, kwettert, kwetterde, kwetterden, gekwetterd)
    • klappen werkwoord (klap, klapt, klapte, klapten, geklapt)
    • kwekken werkwoord (kwek, kwekt, kwekte, kwekten, gekwekt)
    • snateren werkwoord (snater, snatert, snaterde, snaterden, gesnaterd)
  3. to speak (give expression to; express; utter; )
    uiten; uitdrukken; verwoorden; uiting geven aan; uitdrukking geven aan; vertolken
    • uiten werkwoord (uit, uitte, uitten, geuit)
    • uitdrukken werkwoord (druk uit, drukt uit, drukte uit, drukten uit, uitgedrukt)
    • verwoorden werkwoord (verwoord, verwoordt, verwoordde, verwoordden, verwoord)
    • uiting geven aan werkwoord
    • uitdrukking geven aan werkwoord (geef uitdrukking aan, geeft uitdrukking aan, gaf uitdrukking aan, gaven uitdrukking aan, uitdrukking gegeven aan)
    • vertolken werkwoord (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
  4. to speak (talk about; discuss; review)
    onderwerp behandelen; spreken over
  5. to speak (hail; call; shout)
    praaien; aanroepen
    • praaien werkwoord (praai, praait, praaide, praaiden, gepraaid)
    • aanroepen werkwoord (roep aan, roept aan, riep aan, riepen aan, aangeroepen)

Conjugations for speak:

present
  1. speak
  2. speak
  3. speaks
  4. speak
  5. speak
  6. speak
simple past
  1. spoke
  2. spoke
  3. spoke
  4. spoke
  5. spoke
  6. spoke
present perfect
  1. have spoken
  2. have spoken
  3. has spoken
  4. have spoken
  5. have spoken
  6. have spoken
past continuous
  1. was speaking
  2. were speaking
  3. was speaking
  4. were speaking
  5. were speaking
  6. were speaking
future
  1. shall speak
  2. will speak
  3. will speak
  4. shall speak
  5. will speak
  6. will speak
continuous present
  1. am speaking
  2. are speaking
  3. is speaking
  4. are speaking
  5. are speaking
  6. are speaking
subjunctive
  1. be spoken
  2. be spoken
  3. be spoken
  4. be spoken
  5. be spoken
  6. be spoken
diverse
  1. speak!
  2. let's speak!
  3. spoken
  4. speaking
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor speak:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanroepen call; calling; hailing
klappen acclaim; applause; blows with the fist; cheer; cracks; ovation; physical violence; punch; smacks
praaien call; calling; hailing
spreken over discussing; talking about
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanroepen call; hail; shout; speak appeal to; call; call in; call out to; cry out to; enlist; invoke
babbelen blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chatter; jabber away
communiceren communicate; converse; have a conversation; speak; talk communicate
een conversatie hebben communicate; converse; have a conversation; speak; talk
in contact staan communicate; converse; have a conversation; speak; talk
kakelen blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chatter; chirp; gabble; quack; rattle
klappen blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell applaud; burst; clap; explode; snap
kletsen blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chat; chatter; have a good long talk; jabber away; rave; talk nonsense
kwebbelen blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chatter; jabber away
kwekken blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chat; converse; croak; quack; talk
kwetteren blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chatter; chirp; croak; gabble; quack; rattle
onderwerp behandelen discuss; review; speak; talk about
praaien call; hail; shout; speak
praten blab; chat; chatter; communicate; converse; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chat; converse; discuss; talk
snateren blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell chatter; chirp; croak; gabble; quack; rattle
spreken blab; chat; chatter; communicate; converse; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell converse; discuss; talk
spreken over discuss; review; speak; talk about
uitdrukken express; express oneself; give expression to; impersonate; reveal oneself; speak; talk; utter; ventilate peg out; pinch out; squeeze dry; squeeze empty; squeeze out
uitdrukking geven aan express; express oneself; give expression to; impersonate; reveal oneself; speak; talk; utter; ventilate
uiten express; express oneself; give expression to; impersonate; reveal oneself; speak; talk; utter; ventilate express; spout; unload
uiting geven aan express; express oneself; give expression to; impersonate; reveal oneself; speak; talk; utter; ventilate
vertolken express; express oneself; give expression to; impersonate; reveal oneself; speak; talk; utter; ventilate impersonate; interpret; personify; portray; render; represent; transcribe; translate
verwoorden express; express oneself; give expression to; impersonate; reveal oneself; speak; talk; utter; ventilate bring something up; express; phrase; put into words; ventilate; verbalise; verbalize; voice
wauwelen blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell jabber
zwammen blab; chat; chatter; have a conversation; narrate; rattle; relate; speak; talk; tell babble; blab; chat; chatter; drivel; gab; have a chat; jabber; jaw; prattle; prattle on; rot; talk crap; talk rot; talk rubbish; twaddle
- address; mouth; talk; utter; verbalise; verbalize
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- talk

Verwante woorden van "speak":

  • speaking, speakable

Synoniemen voor "speak":


Verwante definities voor "speak":

  1. express in speech1
  2. exchange thoughts; talk with1
  3. use language1
    • the prisoner won't speak1
    • they speak a strange dialect1
  4. give a speech to1
  5. make a characteristic or natural sound1
    • The drums spoke1

Wiktionary: speak

speak
verb
  1. to communicate with one's voice using words
speak
verb
  1. zich met behulp van de stem uiten

Cross Translation:
FromToVia
speak spreken sprechen — mündliche Äußerungen in Form von Sprach-Lauten, Wortn und/oder Satzn von sich geben
speak spreken; praten parlerproférer, prononcer, articuler des mots.

Verwante vertalingen van spoke