Spaans

Uitgebreide vertaling voor casco (Spaans) in het Nederlands

casco:

casco [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el casco
    de helm; hoofdbescherming
  2. el casco (pezuña; herradura)
    de hoef; hoornschoen
    • hoef [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • hoornschoen [znw.] zelfstandig naamwoord
  3. el casco (barra del timón; rebaño; timón; yelmo; timón de altura)
    de helmstok
    • helmstok [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  4. el casco (timón de altura; rebaño; timón; )
    de stuurstok

Vertaal Matrix voor casco:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
helm casco
helmstok barra del timón; casco; rebaño; timón; timón de altura; yelmo
hoef casco; herradura; pezuña
hoofdbescherming casco
hoornschoen casco; herradura; pezuña
stuurstok barra del timón; casco; caña del timón; rebaño; timón; timón de altura; yelmo

Verwante woorden van "casco":


Synoniemen voor "casco":


Wiktionary: casco

casco
noun
  1. een overdekking van het uiteinde van de voet

Cross Translation:
FromToVia
casco helm helmet — protective head covering
casco beschermingskap; kap hood — protective cover
casco hoef hoof — tip of a toe of ungulates
casco scheepsromp; casco hull — frame of a ship or plane
casco potscherf potsherd — piece of ceramic from pottery
casco vaartuig vessel — craft
casco helm Helm — vor allem vor mechanischen Einflüssen schützende Kopfbedeckung
casco helm casque — Armure défensive
casco dop; schaal; schil; schors; boomschors écorce — Partie superficielle et protectrice des arbres et des végétaux

cascar:

cascar werkwoord

  1. cascar (ocupar ilegalmente; craquear)
    kraken; huizen kraken
  2. cascar (parlotear; charlar; cacarear; )
    kletsen; babbelen; ratelen; kwebbelen
    • kletsen werkwoord (klets, kletst, kletste, kletsten, gekletst)
    • babbelen werkwoord (babbel, babbelt, babbelde, babbelden, gebabbeld)
    • ratelen werkwoord (ratel, ratelt, ratelde, ratelden, gerateld)
    • kwebbelen werkwoord (kwebbel, kwebbelt, kwebbelde, kwebbelden, gekwebbeld)
  3. cascar (criticar; chasquear; fraccionar; )
    kritiseren; afkraken; katten; kraken
    • kritiseren werkwoord (kritiseer, kritiseert, kritiseerde, kritiseerden, gekritiseerd)
    • afkraken werkwoord (kraak af, kraakt af, kraakte af, kraakten af, afgekraakt)
    • katten werkwoord (kat, katte, katten, gekat)
    • kraken werkwoord (kraak, kraakt, kraakte, kraakten, gekraakt)
  4. cascar (cotorrear)
    kwaken; kwetteren; snateren; kakelen
    • kwaken werkwoord (kwaak, kwaakt, kwaakte, kwaakten, gekwaakt)
    • kwetteren werkwoord (kwetter, kwettert, kwetterde, kwetterden, gekwetterd)
    • snateren werkwoord (snater, snatert, snaterde, snaterden, gesnaterd)
    • kakelen werkwoord (kakel, kakelt, kakelde, kakelden, gekakeld)
  5. cascar (decir tonterías; charlar; delirar; )
    raaskallen; kletsen; onzin verkopen; ijlen; wartaal spreken; onzin uitkramen
    • raaskallen werkwoord (raaskal, raaskalt, raaskalde, raaskalden, geraaskald)
    • kletsen werkwoord (klets, kletst, kletste, kletsten, gekletst)
    • onzin verkopen werkwoord (verkoop onzin, verkoopt onzin, verkocht onzin, verkochten onzin, onzin verkocht)
    • ijlen werkwoord (ijl, ijlt, ijlde, ijlden, geijld)
    • wartaal spreken werkwoord
    • onzin uitkramen werkwoord
  6. cascar (arañar; rascar; descifrar; )
    zich krabben; krassen
  7. cascar (craquear)
    kraken; een krakend geluid maken
  8. cascar (aporrear; sobar; pegar; )
    iemand toetakelen; afranselen
  9. cascar (quebrar; quebrantar; craquear; )
    knakken
    • knakken werkwoord (knak, knakt, knakte, knakten, geknakt)
  10. cascar (conjugar; hacer recortes; declinar; flectar la cabeza)
    declineren; vervoegen; verbuigen
    • declineren werkwoord (declineer, declineert, declineerde, declineerden, gedeclineerd)
    • vervoegen werkwoord (vervoeg, vervoegt, vervoegde, vervoegden, vervoegd)
    • verbuigen werkwoord (verbuig, verbuigt, verboog, verbogen, verbogen)

Conjugations for cascar:

presente
  1. casco
  2. cascas
  3. casca
  4. cascamos
  5. cascáis
  6. cascan
imperfecto
  1. cascaba
  2. cascabas
  3. cascaba
  4. cascábamos
  5. cascabais
  6. cascaban
indefinido
  1. casqué
  2. cascaste
  3. cascó
  4. cascamos
  5. cascasteis
  6. cascaron
fut. de ind.
  1. cascaré
  2. cascarás
  3. cascará
  4. cascaremos
  5. cascaréis
  6. cascarán
condic.
  1. cascaría
  2. cascarías
  3. cascaría
  4. cascaríamos
  5. cascaríais
  6. cascarían
pres. de subj.
  1. que casque
  2. que casques
  3. que casque
  4. que casquemos
  5. que casquéis
  6. que casquen
imp. de subj.
  1. que cascara
  2. que cascaras
  3. que cascara
  4. que cascáramos
  5. que cascarais
  6. que cascaran
miscelánea
  1. ¡casca!
  2. ¡cascad!
  3. ¡no casques!
  4. ¡no casquéis!
  5. cascado
  6. cascando
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor cascar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afranselen paliza
declineren cambio; declinación
knakken quebrar; quebrarse; resquebrajarse; romper; romperse
kraken crujir
krassen chirrido; rasgueo; rechinamiento; rechinar
verbuigen cambio; declinación
vervoegen conjugación; presentarse ante
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afkraken cascar; chasquear; craquear; criticar; criticar duramente; desacreditar; descifrar; fraccionar
afranselen aporrear; azotar; cascar; castigar; dar una soba a; malparar; maltratar; moler a palos; pegar; sobar; solfear; tundir a golpes; zurrar apalear; aporrear; darle una paliza a alguien; darle una tunda de golpes; flagelar; vapulear
babbelen cacarear; cascar; charlar; cloquear; cotorrear; parlanchinear; parlar; parlotear comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear
declineren cascar; conjugar; declinar; flectar la cabeza; hacer recortes abreviar; ahorrar; bajar; decaer; decrecer; desaparecer; descender; disminuir; llevarse; menguar; negarse; plantarse; rebajar; rechazar; recortar; reducir; reducirse; regresar; remover; robar; vencer
een krakend geluid maken cascar; craquear
huizen kraken cascar; craquear; ocupar ilegalmente
iemand toetakelen aporrear; azotar; cascar; castigar; dar una soba a; malparar; maltratar; moler a palos; pegar; sobar; solfear; tundir a golpes; zurrar
ijlen cascar; charlar; comprar tonteras; cotorrear; decir tonterías; delirar; desvariar; disparatar; parlotear acosar; adelantar; afanarse tras; apresurar; apresurarse; aspirar a; atosigar; avanzar; crecer; dar prisa; darse prisa; delirar; divagar; hacer subir; hacerse mayor; incitar; instigar; ir apresuradamente; ir corriendo; ir volando; irse a cazar; levantar; meter prisa; perseguir; precipitarse
kakelen cascar; cotorrear comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear
katten cascar; chasquear; craquear; criticar; criticar duramente; desacreditar; descifrar; fraccionar
kletsen cacarear; cascar; charlar; cloquear; comprar tonteras; cotorrear; decir tonterías; delirar; desvariar; disparatar; parlanchinear; parlar; parlotear comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; echar una parrafada; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear
knakken abusar de; cascar; craquear; desfigurar; hacer pedazos; petardear; quebrantar; quebrar; refractar
kraken cascar; chasquear; craquear; criticar; criticar duramente; desacreditar; descifrar; fraccionar; ocupar ilegalmente abrir; abrir bruscamente; desarmar; desempedrar; desencajar; deshacer; desmontar; forzar
krassen arañar; arrastrar por el suelo; cascar; chillar; descifrar; rascar; rascarse
kritiseren cascar; chasquear; craquear; criticar; criticar duramente; desacreditar; descifrar; fraccionar
kwaken cascar; cotorrear croar; parpar; vocear
kwebbelen cacarear; cascar; charlar; cloquear; cotorrear; parlanchinear; parlar; parlotear comunicar; contar; conversar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear
kwetteren cascar; cotorrear cantar; comunicar; contar; conversar; croar; delatar; difundir; garlar; gorjear; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear; parpar; piar; trinar; vocear
onzin uitkramen cascar; charlar; comprar tonteras; cotorrear; decir tonterías; delirar; desvariar; disparatar; parlotear
onzin verkopen cascar; charlar; comprar tonteras; cotorrear; decir tonterías; delirar; desvariar; disparatar; parlotear
raaskallen cascar; charlar; comprar tonteras; cotorrear; decir tonterías; delirar; desvariar; disparatar; parlotear
ratelen cacarear; cascar; charlar; cloquear; cotorrear; parlanchinear; parlar; parlotear
snateren cascar; cotorrear comunicar; contar; conversar; croar; delatar; difundir; hablar; hacer correr la voz; parlanchinear; parlar; parlotear; parpar; vocear
verbuigen cascar; conjugar; declinar; flectar la cabeza; hacer recortes doblar; doblarse; torcer
vervoegen cascar; conjugar; declinar; flectar la cabeza; hacer recortes bajar; dirigirse a; encaminarse a; recorrer
wartaal spreken cascar; charlar; comprar tonteras; cotorrear; decir tonterías; delirar; desvariar; disparatar; parlotear
zich krabben arañar; arrastrar por el suelo; cascar; chillar; descifrar; rascar; rascarse

Synoniemen voor "cascar":


Wiktionary: cascar

cascar
verb
  1. in stukken uiteen doen vallen

Cross Translation:
FromToVia
cascar rukken; aftrekken; masturberen wank — intransitive: to masturbate
cascar aftrekken wank — transitive: to masturbate

Verwante vertalingen van casco