Overzicht
Nederlands naar Duits: Meer gegevens...
- aflossen:
-
Wiktionary:
- aflossen → ablösen, tilgen
- aflossen → abzahlen, an die Stelle setzen von, austauschen, substituieren, ablösen, ersetzen, an Stelle treten, vertreten, Ersatz sein für, Vertreter sein für
Nederlands
Uitgebreide vertaling voor aflossen (Nederlands) in het Duits
aflossen:
-
aflossen (inlossen)
-
aflossen (remplaceren; vervangen; vernieuwen; verwisselen)
ersetzt; ersetzen; erneuern; auswechseln; vertreten; stellvertreten; tilgen; abtragen; innovieren; einfallen; einspringen; erneutaufstellen; erneutunterbringen-
ersetzt werkwoord
-
ersetzen werkwoord
-
auswechseln werkwoord (wechsele aus, wechselst aus, wechselt aus, wechselte aus, wechseltet aus, ausgewechselt)
-
stellvertreten werkwoord
-
einfallen werkwoord
-
einspringen werkwoord (springe ein, springst ein, springt ein, sprang ein, sprangt ein, eingesprungen)
-
erneutaufstellen werkwoord
-
erneutunterbringen werkwoord
-
Conjugations for aflossen:
o.t.t.
- los af
- lost af
- lost af
- lossen af
- lossen af
- lossen af
o.v.t.
- loste af
- loste af
- loste af
- losten af
- losten af
- losten af
v.t.t.
- heb afgelost
- hebt afgelost
- heeft afgelost
- hebben afgelost
- hebben afgelost
- hebben afgelost
v.v.t.
- had afgelost
- had afgelost
- had afgelost
- hadden afgelost
- hadden afgelost
- hadden afgelost
o.t.t.t.
- zal aflossen
- zult aflossen
- zal aflossen
- zullen aflossen
- zullen aflossen
- zullen aflossen
o.v.t.t.
- zou aflossen
- zou aflossen
- zou aflossen
- zouden aflossen
- zouden aflossen
- zouden aflossen
diversen
- los af!
- lost af!
- afgelost
- aflossende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
-
aflossen (afbetalen)
Vertaal Matrix voor aflossen:
Wiktionary: aflossen
aflossen
Cross Translation:
Cross Translation:
From | To | Via |
---|---|---|
• aflossen | → abzahlen | ↔ acquit — to discharge a claim or debt |
• aflossen | → an die Stelle setzen von; austauschen; substituieren; ablösen; ersetzen; an Stelle treten; vertreten; Ersatz sein für; Vertreter sein für | ↔ remplacer — succéder à quelqu’un dans une place, dans un emploi. |