Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. dufheid:
  2. duf:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor dufheid (Nederlands) in het Duits

dufheid:

dufheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

  1. de dufheid
    die Dösigkeit; die Schlaffheit

Vertaal Matrix voor dufheid:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Dösigkeit dufheid lodderigheid; slaapdronkenheid; slaperigheid; soezerigheid
Schlaffheit dufheid futloosheid; impotentie; krachteloosheid; laksheid; loomheid; machteloosheid; malaise; matheid; onmacht; onvermogen; slapheid; slapte; sulligheid; weekheid; weekte; zachtheid; zwakheid; zwakte

Verwante woorden van "dufheid":


duf:

duf bijvoeglijk naamwoord

  1. duf (suf)
    muffig; dumpf; moderig; schal; stockig

Vertaal Matrix voor duf:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
dumpf duf; suf afgedempt; banaal; bedompt; benauwd; beslagen; doezelig; dof; drukkend; gedempt; glansloos; grauwkleurig; grijs; grof; laag-bij-de-grond; lomp; mat; muf; niet helder; onduidelijk; plat; platvloers; schunnig; soezerig; suf; triviaal; vaag; vunzig
moderig duf; suf
muffig duf; suf
schal duf; suf banaal; bleek; dor; flauw; flets; grof; laag-bij-de-grond; lomp; muf; oubakken; oud; oudbakken; plat; platvloers; schraal; schunnig; slap; smakeloos; triviaal; verschaald; verschoten; verschraald; vunzig; waterachtig; waterig; zonder smaak
stockig duf; suf

Verwante woorden van "duf":


Wiktionary: duf

duf
adjective
  1. saai, doods
  2. slaperig