Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. pachten:
  2. pacht:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor pachten (Nederlands) in het Duits

pachten:

pachten werkwoord (pacht, pachtte, pachtten, gepacht)

  1. pachten
    pachten
    • pachten werkwoord (pachte, pachtest, pachtet, pachtete, pachtetet, gepachtet)

Conjugations for pachten:

o.t.t.
  1. pacht
  2. pacht
  3. pacht
  4. pachten
  5. pachten
  6. pachten
o.v.t.
  1. pachtte
  2. pachtte
  3. pachtte
  4. pachtten
  5. pachtten
  6. pachtten
v.t.t.
  1. heb gepacht
  2. hebt gepacht
  3. heeft gepacht
  4. hebben gepacht
  5. hebben gepacht
  6. hebben gepacht
v.v.t.
  1. had gepacht
  2. had gepacht
  3. had gepacht
  4. hadden gepacht
  5. hadden gepacht
  6. hadden gepacht
o.t.t.t.
  1. zal pachten
  2. zult pachten
  3. zal pachten
  4. zullen pachten
  5. zullen pachten
  6. zullen pachten
o.v.t.t.
  1. zou pachten
  2. zou pachten
  3. zou pachten
  4. zouden pachten
  5. zouden pachten
  6. zouden pachten
diversen
  1. pacht!
  2. pacht!
  3. gepacht
  4. pachtend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor pachten:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
pachten pachten charteren; huren

Verwante woorden van "pachten":


pachten vorm van pacht:

pacht [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de pacht
    die Miete; der Mietbetrag
    • Miete [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Mietbetrag [der ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor pacht:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Mietbetrag pacht huishuur; huur; huurprijs; huursom
Miete pacht

Verwante woorden van "pacht":