Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. samenplakken:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor samenplakken (Nederlands) in het Duits

samenplakken:

samenplakken werkwoord

  1. samenplakken (klitten)
    festkleben; zusammenkleben
    • festkleben werkwoord (klebe fest, klebst fest, klebt fest, klebte fest, klebtet fest, festgeklebt)
    • zusammenkleben werkwoord (klebe zusammen, klebst zusammen, klebt zusammen, klebte zusammen, klebtet zusammen, zusammengeklebt)

Vertaal Matrix voor samenplakken:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
festkleben klitten; samenplakken aan elkaar hangen; aan elkaar kleven; aan elkaar plakken; aaneen plakken; aaneenplakken; aankleven; aanlijmen; hechten; iets vastkleven; kleven; klitten; lijmen; opplakken; plakken; vasthechten; vastkleven; vastlijmen; vastplakken
zusammenkleben klitten; samenplakken aan elkaar kleven; aan elkaar plakken; aaneen plakken; aaneenplakken; klitten; lijmen; plakken; vastkleven; vastlijmen; vastplakken

Wiktionary: samenplakken


Cross Translation:
FromToVia
samenplakken agglutinieren; zusammenheilen; verkleben; zusammenbacken; verkitten agglutinerunir et mêler plusieurs substances de manière à en former une masse compacte.